Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie voor historische gegevens over andere Utrechtse huizen op deze webstek de webpagina Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht.





Vismarkt 2020.04.23
Een deel van de Vismarkt met in het midden (met de luiken) het huis De Roos. Foto M.W.J. de Bruijn 23 april 2020.


[1] Middeleeuwse stenen huizen te Utrecht en hun relatie met die van andere Noordwesteuropese steden ('s-Gravenhage 1963) 95.

Het middeleeuwse huis De Roos (Vismarkt 4-5) in Utrecht
door Martin W.J. de Bruijn

Inleiding

Utrecht is een atypische stad. Iedereen die zich verdiept in haar geschiedenis zal dit snel ontdekken. De reden hiervan is dat Utrecht een lange geschiedenis kent, die al begint in de Romeinse tijd, maar die sinds de Vroege Middeleeuwen nagenoeg continu is. Terwijl jongere steden bijvoorbeeld op het gebied van het grondbeheer een zekere uniformiteit kennen, is dit in Utrecht niet het geval. Hoewel de oorsprong van dit grondbeheer is terug te voeren op de schenking van de burcht Traiectum en het omliggende gebied aan de Utrechtse kerk op 1 januari 723, heeft er in de eeuwen daarna veelvuldig splitsing van dit kerkelijk vermogen plaatsgehad. Dit heeft geleid tot een lappendeken van jurisdicties die belast waren met het beheer van de grond en zijn bebouwing. Het huis De Roos op de Vismarkt biedt van deze versnippering een aansprekend voorbeeld.

Nu is het huis De Roos al sinds 1956 uitstekend bouwhistorisch gedocumenteerd door Coen (C.L.) Temminck Groll, die in 1963 is gepromoveerd op de middeleeuwse stenen huizen in Utrecht.[1] De Roos mag, zoals we zullen zien, inderdaad met enig recht een steenhuis ofwel stenen huis worden genoemd. Maar het had een volledig houten voorgevel, zoals die gedetailleerd is afgebeeld op de oudste afbeelding die we van het huis kennen. Het gaat hierbij om een zeer bekende prent van de Plaats (de Stadhuisbrug) door Pieter Saenredam uit 1636. En de aanwezigheid van die houten voorgevel heeft consequenties met zich meegebracht die ons veel informatie opleveren.

Zoals uit de geschreven bronnen blijkt, was dit namelijk niet de oudste situatie. Toen heeft het huis een stenen voorgevel gehad. Een dergelijk voorfront, zoals we dat ook bij de andere grote middeleeuwse huizen aantreffen, had als nadeel dat er minder ramen in konden worden geplaatst. Bovendien bood een houten gevel de mogelijkheid iedere verdieping verder uit te steken door middel van zogeheten overstekken. Die boden niet alleen meer ruimte, maar ook een betere afwatering dan een stenen gevel.
Saenredam 1636: Stadhuisbrug en Vismarkt
Gezicht op de Plaats (Stadhuisbrug) en de Vismarkt. Tekening Pieter Saenredam 15 oktober 1636.

Saenredam 1636 detail Vismarkt
De huizen aan de Vismarkt op de tekening van Pieter Saenredam. In het midden het grote huis De Roos (nu Vismarkt 4-5) met een houten overstekende voorgevel.


[2] Zie de interessante vondst van een middeleeuws riool onder dat huis, waarschijnlijk als restant van die gracht, op het Utrechts Documentatiesysteem.

















[3] M.W.J. de Bruijn, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de Middeleeuwen (Utrecht 1994) 58-65.













[4] W. van Iterson, ‘Ouderve en ander vorderlijk goed in het Nedersticht’, Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 16 (1939) 215-244, beweert, ald. 216, dat deze vergoeding moest worden betaald voor de bouw van een stenen huis, maar dat is niet juist. De verstoring komt ook bij andere goederen voor en was bedoeld om erfgenamen uiteindelijk gelijkelijk in waarde te laten delen. Het zijn ook niet de andere mogeliijke erfgenamen die in dit geval moest verstoren, maar juist de ontvanger van het voordeelgoed, waarmee het voordeel vanzelfsprekend weer was tenietgedaan.
Zoals gezegd is het huis bouwhistorisch uitstekend gedocumenteerd. Dit in tegenstelling tot de historische documentatie, die voor Utrechtse begrippen voor de middeleeuwse situatie vooralsnog juist schaars is. Maar wat er aan bronnen is overgeleverd, is niet zonder historisch belang. Want daaruit blijkt dat het huis De Roos onder een apart juridisch statuut viel: dat van de zogeheten steenhuizen, gecombineerd met wat genoemd wordt ouderve.

De situering

Het huis De Roos stond vlak ten noordwesten van de burchtgracht rond de middeleeuwse burcht Trecht, en wel aan de gracht die de westelijke burchtgracht verbond met de iets verder naar het noorden stromende Rijn, die na de afdamming rond 1122 van deze rivier bij Wijk bij Duurstede voor een deel werd opgenomen in de Oudegracht. De noordelijke burchtgracht liep waarschijnlijk ter plaatse van Vismarkt 8.[2] Zoals uit de geschreven bronnen blijkt, viel het huis De Roos onder de jurisdictie van het stedelijk schepengerecht. Het is van belang dit op te merken, omdat er, zoals we zullen zien, anders beweerd is.

Plattegrond burcht

Plattegrond van het Domplein en omgeving met de omtrekken van de Romeinse (1) en de middeleeuwse burcht (3). Het huis De Roos bevindt zich net ten noorden van de noordelijke burchtgracht in de richting van het Oudkerkhof aan de gracht die de middeleeuwse burchtgracht met de Rijn verbond.

In het gebied onder de directe jurisdictie van de Utrechtse schepenen werd oorspronkelijk ter erkenning van het recht van de stadsheer, de bisschop als vertegenwoordiger van de Utrechtse kerk, een jaarlijks bedrag, een tijns, betaald uit alle stukken grond in de stad, dus ook de huiserven. Bij de splitsing van het kerkelijk vermogen zal deze tijns in een flink deel van de stad, of althans van het latere stadsgebied, in handen van het domkapittel zijn gekomen, en met name in het bezit van de domproost.

De huiserventijns

Hoogstwaarschijnlijk is deze huiserventijns bij de bevestiging van het stadsrecht in 1122 omgezet in een collectieve tijns. Ieder jaar op de avond voor Sint-Maarten, Sint-Maartensavond (10 november), betaalde de oudste schepen van de stad namelijk een bedrag van 4 pond goede tijnspenningen aan de gemachtigde van de domproost. Sindsdien waren de binnen het gebied van de omzetting gelegen grondstukken vrijgesteld van de tijns en hierdoor in de middeleeuwse terminologie ‘allodiaal’ of vrijeigen goed geworden.[3]

Een proces uit 1414

Maar de rechten op het huis De Roos gingen verder dan alleen die vrijstelling, zoals uit een interessante bron blijkt. Het gaat hier om een proces dat in 1414 gevoerd is, waarbij zowel de schepenen als de oud-schepenen van de stad als rechters optraden (zie de bijlage hieronder). Een dergelijke speciale schepenprocedure gold als rechtsvormend en het vonnis kan worden beschouwd als een vorm van jurisprudentie. Het werd opgetekend in een speciaal rechtsboek, Der scepene boeck.

Alvorens dit proces te analyseren, wil ik hier eerst de inhoud van enkele voorkomende begrippen verklaren. Om te beginnen de term voordeel (vordeel). Hiermee werd uitgedrukt dat een of enkele van de erfgenamen een goed uit de boedel krijgt of krijgen vóór er verdere scheiding en deling plaatsheeft. Wanneer dit het geval is, wordt gesproken van vorderlijk erfrecht (vorderlick erfrecht). Onze woorden ‘voordeel’ en ‘voordelig’ stammen nog af van de betekenis ‘gedeeld voor de verdere verdeling van een boedel plaatshad’. Ik gebruik hier verder de term vorderlijk.

Een volgende begrip is verstoring (verstoringhe). Hiermee werd bedoeld dat degene die voordeel had hierover aan de andere erfgenamen een vergoeding moest betalen (verstoren).[4]

Een ander begrip is steenhuis (steenhuus). Hiermee wordt in Utrecht uitgedrukt dat een huis aan alle kanten van steen is. Deze huizen vielen onder het vorderlijk erfrecht.

Ten slotte wil ik aandacht besteden aan de term ouderve (outerve). Dit was de bijzondere wijze van vererving van steenhuizen wanneer die rechtstreeks aan een erfgenaam kwamen en niet staande huwelijk in een gemeenschap van goederen. Wanneer het eerste het geval was, hoefde er, zoals we hieronder zullen zien, niet te worden verstoord.











[5] Deze rechtsregel kwam al voor in het oudste rechtsboek van de stad, het Liber albus van 1340. Zie S. Muller Fz. (uitg.), De middeleeuwsche rechtsbronnen van de stad Utrecht, dl. I (’s-Gravenhage 1883) 19, nr. XXVI. Voor het proces zie aldaar dl. II, 125-127.



































[6] Wat S. Muller Fz. in zijn Inleiding op De middeleeuwsche rechtsbronnen der stad Utrecht (’s-Gravenhage 1885) 9-10, nt. 2, stelt over de herkomst van de Utrechtse stadserven, die lenen zouden zijn geweest van de bisschop, mist iedere grond. Ik ga er hier niet verder op in. Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 254-259.

[7] Middeleeuwsche rechtsbronnen, dl. II (’s-Gravenhage 1883) 260: So heeft die raet ende gemeen gilden eendrachtelic overdragen, dat die schout ende scepen van deser tijd voirt niet meer hantscoen van enigen steenhusen nemen en sellen.

[8] Ald. 393.


Liender 1750 Stadhuisbrug
Een deel van de Vismarkt op de tekening van Jan van Liender in 1750. Het boven de andere huizen uitrijzende huis De Roos had inmiddels (weer) een stenen voorgevel gekregen.



[9] Voor de zogeheten uitwinnings- of evictieprocedure zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 292-293.
In het hierboven genoemde jaar 1414 werd er voor de Utrechtse schepenen, oude en nieuwe, een geschil behandeld tussen Lambert Johansz. namens Dirk van Ysendoren en Arend Loeff van der A. Lambert stelde dat Dirk recht had op verstoring voor de helft van het huis De Roos. Dirk zou recht hebben op die vergoeding, omdat het huis aan zijn vrouw Mechteld gekomen was vóór zij met hem getrouwd was. Omdat Mechteld hierna was overleden zonder kinderen bij Dirk te hebben, zou naar het recht van de stad den bodem blijven aan Mechtelds erfgenamen en zouden deze erfgenamen aan Dirk verstoring moeten doen. Dirk beriep zich hierbij op de rechtsregel Alle outerve gaet weder daent ghecomen is.[5] Hiermee zou bedoeld zijn dat het huis zou vererven en verstoren.

De tegenpartij, Arend Loef van de A, had hier tegenin gebracht dat Roderik (Overrijn) de voorgevel had afgebroken en het huis met leien had gedekt. Maar volgens Dirk had deze de gevel gelaten zoals zijn vrouw die hem had aangebracht, hij had die gevel onderhouden en wel voor 150 gulden aan het huis verbouwd, wat hij met behulp van de werklieden kon aantonen. Daarvan hoorde hij rechtens de helft te krijgen en bovendien de verstoring.

Hierop antwoordde Arend als voogd van zijn vrouw Geertruud, waar hij kinderen bij had, dat Dirk een onterechte ruimingsprocedure was begonnen om daarvan verstoring te verkrijgen, omdat het huis zijn vrouw vrij aangekomen was na de dood van haar moeder. Hij hoefde Dirk geen vergoeding te betalen, omdat Dirks vrouw hem het huis aangebracht had en het niet gekocht of aangekomen was tijdens zijn huwelijk met haar en omdat hij daar ook niet aan verbouwd had. Verder wilde Arend op het erf bewijzen dat De Roos vanouds een steenhuis was ende van voor tot after steensdicke die mueren in moerter ghemets siin of meer, ende stenen ghevel heeft ende al mit steen ghedect is, ende altoes voor een steenhuus ghestaen ende gheerft heeft. En al heeft Roderik Overrijn de stenen gevel afgebroken en vervangen door een houten, dat en mach Aernt an sinen steenhuse niet hinderen noch scaden. Hij wilde Dirk geen verstoring betalen, want zijn woorden hadden geen waarde.

De schepenen wijsden voor recht dat het achterste huis van de De Roos een vierkant steenhuis was en dat daar geen verstoring voor hoefde te worden betaald, maar dat het voorste huis een houten gevel had en dat er daarom voor moest worden verstoord, ghelike oft an stucken opter straten laghe.

Uit dit vonnis blijkt dat in het begin van de vijftiende eeuw in Utrecht zeer oude rechtsfiguren als steenhuis en ouderve nog werden toegepast. Hoe de vererving in dit geval, met een half steenhuis, plaats moest hebben, bleef buiten beschouwing.

Steenhuis

De betekenis van steenhuis is tweeërlei. In de eerste plaats een stenen huis ter onderscheiding van houten bebouwing. In tegenstelling tot de steenhuizen golden houten huizen niet als onroerend maar als roerend. Een houten huis stond niet in maar op de grond en was een soort bouwpakket dat gemakkelijk kon worden weggehaald, zoals ook uit het slot van het vonnis van 1414 blijkt. De tweede betekenis van steenhuis was in oorsprong ook huis van een vooraanstaand persoon of beter gezegd vooraanstaande familie. Zij waren aanvankelijk de enigen die zich financieel een stenen huis konden permitteren. Dit was vooral vóór omstreeks 1200 het geval, toen er nog geen baksteen werd toegepast en het bouwmateriaal dus van elders moest worden aangevoerd. De bijzondere status blijkt uit het feit dat bij de overdracht van een steenhuis aan het schepengerecht een paar handschoenen moest worden gegeven.[6] In 1456 werd deze heffing omgezet door een betaling in geld.[7] Overigens gold deze heffing in ieder geval in het midden van de zestiende eeuw voor alle huizen hebbende voir ter straten vuytgaende een opgaende stenen gevel.[8]

Liender 1750 Stadhuisbrug
Gezicht op de stadhuisbrug met daarachter een deel van de Vismarkt door Jan van Liender uit 1750.

De toename van het onroerend in de stad Utrecht had overigens belangrijke complicaties voor het grondbeheer. In de oudste erfelijke uitgiften, daterend uit de eerste helft van de dertiende eeuw, werd alleen de grond, het huiserf, uitgegeven. Doorgaans werd bepaald dat bij niet-nakoming van de verplichtingen deze grond terugviel aan de uitgever. Wanneeer op die grond een houten huis stond, kon dit zonder problemen van de grond verwijderd worden en door de voormalige verkrijger elders weer worden opgebouwd. Maar met stenen huizen was dit niet het geval, zodat de sanctie die er op nalatigheid stond veel zwaarder was, omdat hierbij behalve de grond ook de inmiddels de daarop verrezen bebouwing aan de uitgever toeviel.[9]



























[10] Middeleeuwsche rechtsbronnen I, 19, nr. XXVI.














[11] Van Iterson, ‘Ouderve’, 217-228.



















[12] Het Utrechts Archief, 701 Stadsarchief I (1122-1577), nr. 255.

Ouderve

Zoals uit de bronnen blijkt, was het huis De Roos niet alleen een steenhuis, maar maakte het ook uit van het zogeheten ouderve. Het bijzondere aan deze huizen was dat ze aangeërfd, dus niet verworven, moesten zijn aan één persoon. Al in het oudste rechtsboek van de stad Utrecht, het Liber albus of Witte boek, stond de bepaling:

Een steenhuys dat mit ouden erve coemt, dat sel oud erve bliven dat daer opstaet, maer wardtet ghetimmert mit menen goede, so deylt dat steenhuys ghelike rorenden goede.

Het laatste wil zeggen dat het in een gemeenschappelijke boedel kon komen en daardoor verder niet onderworpen was aan vorderlijk erfrecht. Wanneer een echtpaar op huwelijkse voorwaarden was getrouwd, waarbij elk der echtelieden een eigen vermogen behield, kon een aangeërfd huis dus wel ouderve blijven.

De huizen die ouderve waren vererfden niet in de aangetrouwde zijlinies, maar ‘klommen’, dit wil zeggen dat zij, eveneens al volgens het Liber albus, teruggingen waar ze vandaan gekomen waren:

Alle oud erve gaet weder daent ghecomen is.[10]

Bovendien gold voor de vererving van deze steenhuizen op ouderve dat de gerechtigde hiervoor geen verstoring hoefde te betalen aan de overige erfgenamen voor de gekapitaliseerde waarde van zijn erfdeel.

Juist het huis De Roos aan de Vismarkt heeft vanwege de procedure uit 1414 aan onze kennis van het ouderve bijgedragen.

Misverstanden

De rechtshistoricus W.A. van Iterson dacht ten onrechte dat het ouderve in de stad gelegen was in de bijzondere jurisdicties, zoals het gerecht van de burggraaf, van de graaf van Holland en de zogeheten Omloop van Sint-Marie, een tijnsheerlijkheid van het kapittel van Sint-Marie en de stad gezamenlijk.[11] Hij situeerde het huis De Roos abusievelijk in het gerecht van de burggraaf, maar de noordelijke begrenzing van dit gerecht was de zuidelijke helft van het huis De Hond, thans Vismarkt 7. Een van de kenmerken van ouderve in de stad was juist dat het bestond uit allodiaal goed, vallend onder de jurisdictie van de stedelijke schepenen.

Verder verwart Van Iterson het ouderve met het hierboven vermelde vorderlijk goed, dat inderdaad in de meeste gevallen ‘heerlijk’ was. De heren – leenheren, tijnsheren, pachtheren – wilden niet dat het door hen uitgegeven goed in een overdeelde boedel terechtkwam. Daarom vererfde het aan de oudste erfgenaam, waarbij zonen voor dochters gingen. Maar zoals gezegd ging het bij het ouderve juist niet om heerlijk maar om allodiaal goed.

Een zeer informatieve uitvoerige beschrijving van het vorderlijk erfrecht bij het heerlijk goed levert ons de oorkonde van 24 mei 1308, waarin tussen het kapittel van Sint-Marie en de stad de rechtsregels voor de Omloop van Sint-Marie werden vastgelegd:[12]

of de man storve de den erftins hadde, dat die erftins comen soude ende dat daer up ghetimmert is ende men hier nae daer op thimmeren sel, aert vast ende naghel vast, op sinen outsten sone so sout comen, ende hadde hi ghenen sone, so sout comen op sine outste dochter, inder maniere dat die vrouwe, der kinder moeder, sel bliven sitten inder helft van deen goede tot hoere lijftochte, ende dat kint datten erfthins behoirt, dat sel ghenoech doen den andren kinderen, wanneer sijn moder doet es, van den erftins van der husinghe ende van der thimmeringhe de daer up staen, aertvast ende naghelvast, bi rade der kameraren van sinte Marien enter kameraren der stat van Utrecht, also redelike ende mogheliken is.
Voert waer dat sake dat de erftins van der moeder to ghecomen ware, ende de vrouwe eer storve eer hoer man, so soude hoer man bliven sitten inder lijftochte alse de vrouw soude hebben ghedaen, in alder manire de hier boven bescreven staet.
Voert so sijnt vorwarden, waer dat sake dat si ghene kinder after hom en lieten, so soude dese erftins comen up enen horen outsten erfnamen de man hoeft ware, daer die erftins of quame, van vader of van moder, maer waer dat sake datter enich wijf hoeft ware, daer soude de erftins op comen dee naere maech ware dan de manhoeft, behouden ons rechts, also dicke alst verstervet, ende men verniet den kameraren een pont pepers.

Met andere woorden: bij het overlijden van een mannelijke tijnsman had de vererving van het goed plaats aan de oudste zoon en bij het ontbreken daarvan aan de oudste dochter. Wanneer de echtgenote van de erflater nog in leven was, zou zij de helft van het goed in vruchtgebruik krijgen. Wanneer deze echtgenote overleed, moest de erfgenaam van het betreffende goed een vergoeding betalen – dus verstoren, zie hierboven – aan de overige erfgenamen. Het omgekeerde gebeurde mutatis mutandis ook wanneer de vrouw vóór de man gestorven was. Liet een echtpaar geen kinderen na, dan vererfde het goed op de oudste mannelijke erfgenaam, met dien verstande dat een vrouwelijke erfgenaam voor een man ging die een of meer graden van de erflater afstond.

Middeleeuwse bezitters

Het is opvallend hoe weinig middeleeuwse gegevens ik over het huis De Roos heb kunnen traceren. Waarschijnlijk is het steeds door vererving overgegaan. In dit geval trad de erfgenaam onmiddellijk in de rechten van de erflater en hoefde geen overdracht plaats te hebben, zodat een dergelijk goed vaak generaties lang buiten beeld bleef. De oudste drie vermeldingen, uit de dertiende en veertiende eeuw, betreffen belendingen.

–1292.12.20–  Hugo van der Hornen
–1331.04.12–  Johan Hugenz.
–1365.05.27–  Berend op de Vismarkt
                         Mechteld vrouw van Dirk van Ysendoren (dochter van Berend
                        op de Vismarkt?)
–1414–            Geertruid vrouw van Arnoud Loeff van der A (dochter van Dirk
                        en Mechteld?)

Bijlage

1414

Procedure uit 1414 voor de oude en nieuwe schepenen van Utrecht tussen Dirk van Ysendoren en Loeff van der A over de rechtstoestand van het huis De Roos aan de Vismarkt (Muller, Middeleeuwsche rechtsbronnen II, 125-127).

Int jaer ons Heren dusent vierhondert ende XIIII gheviel een dingtale tusschen Lambert Johans soen, ghemachticht van den rade van der stat in Dircs name van Ysendoren, opte een side ende Aernt Loeff van der A op die ander side, dat onder der scepen ordel quam in allen manieren als hiernae bescreven staet.

Aldus seyt Lambert Jans soen, gemachticht van den rade van der stat in Dircs name van Ysendoren: Dat Dirc mit rechte hebben sal die verstoringhe van der helfte van den ghetymmert van der husinghe Ter Rose van voor tot after, overmids dat dieselve husinghe joncfrou Mechtelden siins wijfs te wesen plaghen, doe sy an Dirc van Ysendoren horen man in witteliken huwelic vergaderden. Ende want joncfrou Mechtelt oflivich gheworden is sonder gheborte by Dirc after hoor te laten, so sel mit rechte ende na rechte ende ghewoente van onser stat ende na inhout der scepene boec den bodem bliven an joncfrou Mechtelden erfnamen, ende die erfnamen sullen Dirc dese verstoringhe doen bi den gherechte, alse voorseyt is; want der scepen boec inhout: dat alle outerve gaet weder daent ghecomen is, dat is te verstaen: dat dese husinghe gaen, erve(n) ende verstoren sel alse vorscreven is. Ende enighe worde, die Aernt Loeff seit, van dat Roederic den ghevel voor nederghebroken zoude hebben ende dattet mit leyen ghedect is, die woerde en moghen Dirc an siin verstoringhe niet scaden; want Dirc heeft den ghevel ghelaten so siin wijf den ghevel an hem brochte, mer hi heeft den ghevel in reke ghehouden ende daertoe wel an der husinghe, voor ende after, onder die eerde ende daerboven, anderhalfhondert gulden vertymmert, dat hi wel mitten weercluden bewisen sel.

Aldus seit Aernt Loeff vander A, als een voecht ende mombaer van Gheertruden sinen wive, daer hi op dese tijt wittelike borte by heeft: Dattet een onrechte ruminghe is, die Dirc van Ysendoren ghedaen heeft aen hore husinghe ende hofstede, ghelegen op die Vischmaerct, gheheten die Rose, om verstoringe daerof te hebben. Ende seyt reden waeromme: want die husinghe ende hofstede voorscreven, voor ende after, egghen ende eynden, bodem ende boert, mit allen horen toebehoren hoer is, ende ho(o)r vry anghecomen is van hore moeder doot, op sulken pacht alse daeruut gaet, ende Dirc daer niet an en heeft ende hem mit rechte ghene verstoringhe daerof doen en sal na inhout der scepen boec; want Dircs wijf die husinghe ende hofstede aen hem brochte, ende niet ghecoft noch aenghecomen en is by sijnre tijd, ende hi oec daer niet an ghetymmert noch ghemaect en heeft. Ende Aernt oec bewisen wil upten erve, dattet een steenhuus is, also alst van outs ghestaen ende ghetymmert is, ende van voor tot after steensdicke die mueren in moerter ghemets siin of meer, ende stenen ghevel heeft ende al mit steen ghedect is, ende altoes voor een steenhuus ghestaen ende gheerft heeft; so en sel men Dirc voorseyt gheen verstoringhe daeroff doen, na ghewoente ende costume der stat van Utrecht ende na inhout der scepen boeck. Ende al ist, dat Roederic Overrijn dien stenen ghevel voor nederghebroken heeft ende weder mit houte gemaect heeft, dat en mach Aernt an sinen steenhuse niet hinderen noch scaden. Ende Dirc voorseyt gheen verstoren en sel doen, want hem Dyrc niet en vermet dan segwoorde; ende mit dien woorden en can hi an geenre verstoringhen comen van Aernde ende siins wijfs steenhuse, die Dircs wijf hadde eer sy an hem quam in witteliken huwelike. Ende dit seyt Aernt dat recht is; ende des begheert hi ordels.

Ende tusschen hore twier dingtale wijsden die scepene out ende nye, alse van der husinghe ende hofstede, gheheten De Rose, alse: Dat dat afterste huus een viercant steenhuus is ende niet verstoren en sel; ende want dat vorste huus enen houten ghevel heeft, so sel dat vorste huus voorscreven van boven tot beneden verstoren, ghelike oft an stucken opter straten laghe.


© 2020 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 28 april 2020; laatst bewerkt 28 april 2020.