Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie voor historische gegevens over andere Utrechtse huizen op deze webstek de webpagina Middeleeuwse huizen en erven in Utrecht.
Het huis De Hond (Vismarkt 6-7) in Utrecht
door Martin W.J. de Bruijn

Inleiding


Op 26 juli 1647 bevestigde Johan Wolfert heer van Brederode zijn wapen met het opschrift Hier eijndicht des burggraeff gerecht aan de huizen De Hond aan de Vismarkt (thans nr. 6-7) en Het Rad van Avontuur aan de Lichte Gaard (thans nr. 9). Hiermee wilde hij zijn rechten als burggraaf van Utrecht weer doen gelden. Maar het stadsbestuur liet de bordekens nog dezelfde dag weghalen en stuurde ze hem terug met de mededeling dat het burggraafschap niet meer was dan een titulaire digniteijt, een ijdele eerentitel.[1]
[1] Het Utrechts Archief [HUA], Collectie Booth, nr. 24 oud. M.W.J. de Bruijn en M.A. van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, in: C. Streefkerk en S. Faber red., Ter recognitie. Opstellen aangeboden aan prof. mr. H. van der Linden (Hilversum 1987) 55-81, ald. 55.


Vismarkt 2020.04.23
Een deel van de Vismarkt met in het midden (met de luiken) het huis De Roos (Vismarkt 4-5) en rechts daarnaast De Hond (Vismarkt 6-7). Foto M.W.J. de Bruijn 23 april 2020.

Saenredam 1636 detail Vismarkt
De huizen aan de Vismarkt op een tekening van Pieter Saenredam uit 1636. In het midden het grote huis De Roos en rechts daarnaast De Hond, beide met een houten overstekende voorgevel. Rechts daarvan de knik waar eertijds de westelijke burcht was overgegaan in de noordelijke.

Het riool op de Vismarkt
Het riool op de Vismarkt aan de noordzijde van nummer 8, dat mogelijk het restant vormt van de middeleeuwse noordelijke burchtgracht (foto Jean Penders, Het Urechts Documentatiesysteem).


[2] Ald. 60. De gegevens bevinden zich in het Nationaal Archief, Stukken afkomstig van ambtenaren van het centraal bestuur tijdens de regering van Karel V gedeponeerd ter charterkamer van Holland, nr. 707.

[3] De Bruijn en Van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, 67-70.

[4] Ald. 69.

[5] HUA, 701 Stadsarchief I (1122-1577) 704 (1530), nr. 130.

[6] HUA, 216 Archief van het domkapittel 3049.

[7] Van der Eerden en De Bruijn, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, 60-63; De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 100-105 en 371-372.



















[8] Zie Van der Eerden en De Bruijn, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, 59-81.


Reinoud III van Brederode
Reinoud III van Brederode, die onder meer burggraaf van Utrecht was en een verbeten strijd met het stadsbestuur voerde over zijn al dan niet vermeende rechten.






[9] Een zelfde procedure had plaats bij het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders in de Choorstraat (zie de webpagina Het tijnsgerecht Onder de Lakensnijders in Utrecht.



























































[10] Ik ga daar hier niet verder op in. Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 300-303.















[11] Ald. 265.





























[12] Hiervan wordt ook melding gemaakt in een oorkonde van dezelfde datum waarin het domkapittel en de stad een overeenkomst sloten om vriendelicheyde ende om ruste (HUA, 216 Dom 52, f. 7).












[13] HUA, 223 Oudmunster 935-1, f. 5-5v.


[14] Zie De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 162-163.

Dat laatste mag dan toen wel zo geweest zijn, maar Van Brederode kon wel degelijk teruggrijpen op rechten die minstens teruggaan tot de twaalfde eeuw en zowel de noordelijke als de zuidelijke grens van de jurisdictie van de burggraaf in territoriale zin werden op de juiste plaats bevestigd.

Op deze webpagina wil ik aan de hand van het huis De Hond, waarvan de gegevens teruggaan tot de dertiende eeuw, een aantal dingen vertellen over de manier waarop het grondbeheer in de stad Utrecht georganiseerd was. Elders heb ik aan de hand van het buurpand De Roos (Vismarkt 4-5; zie de webpagina Het middeleeuwse huis De Roos) daar al een specifiek aspect van behandeld.

De situering

Plattegrond burcht

Plattegrond van het Domplein en omgeving met de omtrekken van de Romeinse (1) en de middeleeuwse burcht (3). Het huis De Hond bevindt zich net ten noorden van de noordelijke burchtgracht in de richting van het Oudkerkhof aan de gracht die de middeleeuwse burchtgracht met de Rijn verbond.

Het huis De Hond stond net buiten de noordelijke burchtgracht van de middeleeuwse burcht Trecht (zie de webpagina De burcht Trecht). Recent onderzoek heeft in het ten zuiden aangrenzende perceel Vismarkt 8 een riool aangetroffen dat mogelijk zijn oorsprong nog heeft gehad in deze burchtgracht. Het huis De Hond zal gebouwd zijn op de vulling van het noordelijk deel van de gracht. De noordelijke helft van het huis (Vismarkt 6) heeft mogelijk op de vulling van het talud gestaan. Het gerecht van de burggraaf omvatte namelijk niet het hele huis nrs. 6 en 7, maar begon volgens een in 1537 uitgevoerd getuigenonderzoek aen den halven Hont.[2] Deze nauwkeurigheid is te danken aan het feit dat toen nog steeds uit ieder huis binnen de jurisdictie een jaarlijks bedragje, een tijns, werd betaald aan de burggraaf.[3] Het ging hierbij om een oudt zwertgen, ‘een oud zwartje’, dit wil zeggen een duit of twee penningen. Maar ook viel het halve huis De Hond onder het tijnsgerecht, de jurisdictie, van de burggraaf.

Deze rechtspraak lijkt weer ingesteld te zijn kort na 1528, toen de bisschop van Utrecht zijn landsheerlijk gezag heeft overgedragen aan keizer Karel V.[4] Het oudst bewaarde voorbeeld van de jurisdictie van de burggraaf is te vinden in een overdrachtsakte van een huis onder het gerecht van 30 augustus 1530.[5]

De oudste voorbeelden van deze rechtspraak gaan overigens al terug tot de veertiende eeuw. Op 18 september 1386 verschenen voor het stedelijk schepengerecht Andries Mourijs soen, scoute, Johan Ghele, Lourens Scoute ende Korstans de Rike, tinsghenoten ende buere opte Zoutmarct ins borchgraven gherechte van Utrecht, ende brochten ons aen alse zi sculdich waren tedoen, enzovoorts.[6]

Dat het gerecht op de Zoutmarkt gesitueerd werd, komt omdat in de Middeleeuwen het zuidelijk deel van de Vismarkt ook Zoutmarkt heette. Nu is die naam alleen nog voor de westkant van de gracht in gebruik. Het gerecht strekte zich uit vanaf de Vismarkt in het noorden tot aan het midden van het Wed in het zuiden.[7]

De jurisdictie van de burggraaf


Het burggrafelijk gerecht
Het burggrafelijk gerecht. Links een reconstructie van de middeleeuwse situering, rechts de tegenwoordige plattegrond. Bovenaan, aan de noordzijde van het gerecht, bevindt zich het huis De Hond.Tek. M.W.J. de Bruijn in: M.W.J. de Bruijn en M.A. van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, 61).

De geschiedenis van het ambt van burggraaf van Utrecht gaat terug tot minstens het tweede kwart van de elfde eeuw. De belangrijkste taak was het bewaken van de bisschoppelijke burcht. Door de aanleg van de stadswal en -ommuring omstreeks 1122 boette de burcht en daarmee het burggrafelijk ambt aan betekenis in. Maar de burggraaf behield een aantal bevoegdheden binnen het voormalig burchtgebied, maar ook in de stad. Mede dankzij de verwoede pogingen die het geslacht Van Brederode in de zestiende en zeventiende eeuw heeft gedaan om het ambt nieuw leven in te blazen, kennen we deze bevoegdheden vrij goed.[8]

Het wapen van de familie Brederode
Het familiewapen van de Van Brederodes met de rode leeuw van de graven van Holland. Zij dichtten zichzelf een hoogadellijke afkomst toe.
 
In dit geval gaat het om zijn jurisdictie en de daarvan afhangende rechten binnen het voormalig burchtgebied. Het huis De Hond stond precies op de noordwestelijke hoek van dit gebied; alleen de zuidelijke helft (Vismarkt 7) maakte er nog deel van uit. Aan de zuidzijde vormde het Wed, dat zijn naam ontleent aan een helling naar de gracht toe, de zuidelijke burchtgracht. Deze gracht liep verder onder de huizen aan de zuidkant van de straat.

De oudste akte betreffende het huis De Hond die ik heb teruggevonden en waarin sprake is van de jurisdictie van de burggraaf, is niet ouder dan van 19 mei 1534. Op die datum verschenen voor het stedelijk schepengerecht de schout en twee tijnsgenoten van het burggrafelijk gerecht ende brochten ons – dit wil zeggen de stedelijke schepenen – aen mitten rechte by horen eeden alse zy sculdich waren te doen dat voor hen verschenen waren Peter Meusz. en Lubbert Dirksz. Knijf, die hadden overgedragen aan Eduard Daniëlsz. de stadstromper negen twintigste deel van het huis De Hond met zijn toebehoren (zie de bijlage). Lubbert trad mede voor zijn vrouw Cornelia op, mogelijk een zuster van Peter. De andere elf twintigste delen van het goed had Eduard al in zijn bezit. De twintig delen wijzen er op dat het goed zich in een onverdeelde boedel had bevonden.

Dat dit ‘aanbrengen’ bij de stedelijke schepenen een omslachtige procedure was, blijkt uit het feit dat ook de beide overdragers ook voor dit gerecht verschenen om het bovenstaande te verklaren, de gebruikelijke vrijwaring te beloven en ook voor de stadsschepenen afstand van het goed te doen.[9]


Rechtshandelingen voor het stedelijk schepengerecht

Opmerkelijk is verder dat veel rechtshandelingen niet voor het tijnsgericht werden verricht, maar rechtstreeks voor het stedelijk schepengerecht. In de loop van de veertiende eeuw werd het hier gebruikelijk om oudere oorkonden of akten betreffende dezelfde zaak of hetzelfde goed op te nemen in een nieuwe oorkonde. Deze zogeheten retroakten gingen soms terug tot in de dertiende eeuw. Omdat in een dergelijk ‘transsumpt’ niet alleen akten maar soms ook al oudere transsumpten opgenomen zijn, lijken deze op de bekende Russische matroesjkapoppetjes.

Wie de inhoud analyseert, ontdekt dat de retroakten niet volledig zijn, wat twee oorzaken kan hebben, in de eerste plaats dat alleen oorkonden werden opgenomen die relevant zijn voor de rechtshandeling die op de datum van het transsumpt plaatshad, maar ook dat degenen die de rechtshandeling verrichtten niet meer over alle retroakten beschikten.

Wat wel opvalt is de handelende personen deze de retroakten altijd ook echt ‘toonden’ en er niet teruggegrepen werd op eerdere registratie. Inderdaad lijkt het erop dat de stad Utrecht pas tegen 1500 begon met het zelf bewaren van zogeheten minuten, eerst in de vorm van losse teksten op papier, waarvan waarschijnlijk de meeste verloren zijn gegaan, eerst vanaf 1552 in registers, zogeheten schepenprotocollen. Utrecht was ook in dit opzicht een ouderwetse stad.

Dat een transsumpt letterlijk in de plaats werd gesteld van de daarin opgenomen retroakten blijkt uit de zinsnede

behoudeliken des tieghenwoirdighen briefs volcomen macht te hebben ende dair toe alle die machte ghelikerwijs ende in allen manieren of de voirscreven brieve onghescoert ghebleven waren.

Het transsumpt


Zo’n transsumpt is er ook over het huis De Hond bewaard gebleven. Het dateert van 13 juli 1424, de oudste akte die erin opgenomen is van 15 oktober 1294. Ik behandel de oorkonden eerst in algemene zin om later nog op enkele aspecten nader in te gaan.

Op 13 juli 1424 verschenen voor het stedelijk schepengerecht Jan van den Dom (vanden Doem) en zijn vrouw Geertruid en toonden daar een stadsoorkonde van 2 mei 1420 en een schepenoorkonde van 11 oktober 1421 en droegen vervolgens aan Gijsbert Klaasz. (Ghisebert Claes zoen) de helft over van het huis en erf waar de oorkonden – in werkelijkheid alleen de eerste – over spraken. Het ging hierbij om de helft van het huis De Hond.

Een stadsoorkonde (statbrief) had een ander formulier of dictaat dan een schepenoorkonde (scepenebrief). Verder was de stadsoorkonde bezegeld met het stadsgrootzegel en de schepenoorkonde met de zegels van de afzonderlijke schepenen die bij de rechtshandeling aanwezig waren. Voor sommige rechtshandelingen, zoals met name overdrachten van onroerend goed, werd de stadsoorkonde gebruikt, voor andere de schepenoorkonde.[10]

In de op 13 juli 1424 getoonde schepenoorkonde, daterend van 11 oktober 1421, had Aleid die de vrouw van Willem Hont was – zijn weduwe – aan haar oom Johan van den Dom en aan Gerit van Oudensloot al haar goed boven hore scout, testament ende utinghe vermaakt. Waarschijnlijk bezat Gerit de andere helft van het huis, maar dat blijkt niet uit de andere oorkonde, de stadsoorkonde

Deze laatste dateerde van 2 mei 1420. In deze oorkonde gaf Lambert dEdel aan Aleid weduwe van Willem Hont het huis in erfelijke pacht. Voorwaarde was dat Lambert en zijn rechtsopvolgers uit dit goed niet meer konden verkopen dan de pacht, maar Aleid weduwe van Willem Hont en haar zoon en hun rechtsopvolgers het huis en erf zelf met de bebouwing die erop stond of er later op gebouwd zou worden.[11]

Dit was in Utrecht, maar ook in andere steden, de gebruikelijke gang van zaken, die het, met een aantal andere rechtsfiguren, onwenselijk en zelfs onmogelijk maakt om de middeleeuwse rechten op onroerend goed te persen in het keurslijf van het moderne recht met zijn eigendom en erfpacht, zoals helaas meestal nog gedaan wordt (zie hierover met name de webpagina De Middeleeuwen kenden geen eigendom en de daar genoemde literatuur en andere webpagina’s over dit onderwerp).

De stadsoorkonde van 2 mei 1420 waarin Lambert dEdel het goed uitgaf in erfelijke pacht aan Aleid weduwe van Willem Hont bevatte de tekst van een oorkonde eveneens van 2 mei 1420, waarin Aleid weduwe van Willem Hont en haar zoon Willem net tevoren het huis De Hond hadden overgedragen aan Lambert dEdel.

Deze laatste oorkonde van dezelfde datum bevatte de inhoud van maar liefst zeven stadsoorkonden. Om te beginnen een oorkonde van 12 april 1331, waarin de stad aan Willem Hont – hoogstwaarschijnlijk de grootvader van de hierboven genoemde Willem – en zijn kinderen overdroegen den vryen eyghendom van het huiserf waar zij op woonden, dat zij van de stad in erfelijke pacht hielden.


In de tweede oorkonde, daterend van 31 juli 1339, droeg het domkapittel dit erf en het huis dat erop stond, waar Jacob de Oude en zijn vrouw Lieze op hadden gewoond, over aan Willem Hont, zijn kinderen en hun rechtsopvolgers.[12]


In de derde oorkonde, van 27 mei 1365, had Braam uter Corenmarct aan Thomas de Hont het goed in erfelijke pacht gegeven voor 25 pond penningen per jaar. Aan deze oorkonde was een transfix gehecht van 29 april 1404, waarin Braams weduwe Belie en haar kinderen Braam, Engel en Nelle aan Willem Hont den vryen eyghendom en een kwart van 25 pond per jaar uit het goed hadden overgedragen.

Willem had op 22 november 1403 een overeenkomst gesloten met het kapittel van Oudmunster. Deze Willem was een zoon van Thomas en hoogstwaarschijnlijk een kleinzoon van de hierboven genoemde Willem. Kennelijk was hij eind 1403 aan het verbouwen, want op de zojuist genoemde datum erkende hij onder een aantal voorwaarden dat hij met toestemming van het kapittel van Oudmunster in en op de muur van het kapittel aan het bouwen was en daar ook in geankerd had.[13] Het ging hierbij om de achterzijde van Willem Honts perceel, dat grensde aan het claustraal huis van Oudmunster ter plaatse van het tegenwoordige Domplein 5-10.[14]

Dan volgt er in het transsumpt van 2 mei 1420 een oorkonde, de vierde, daterend van 8 juli 1376, die niet op het huis De Hond betrekking heeft, maar op een huis aan het Oudkerkhof en de langs dat huis lopende poortweg. Deze poortweg liep over het erf van het tegenwoordige Oudkerkhof 11 aan de westkant en hij verschafte de de bezitters van het huis De Hond daar een uitgang naar het noorden toe. In deze oorkonde hadden Liesbet weduwe van Thomas Hont en haar zonen Willem en Johan een stadsoorkonde getoond die inhield dat Liesbet weduwe van Hendrik Voirloep en haar zonen een uitgifteoorkonde in het Latijn hadden getoond, daterend van 15 oktober 1294, waarin de Utrechtse burgers Dirk van Loenersloot, ridder, en Bertoud Zachariasz. het betreffende erf aan het Oudkerkhof in erfelijke tijns hadden gegeven. Verder bevatte deze oorkonde een oorkonde van 28 juli 1338, waarin Liesbet weduwe van Hendrik Voirloep en haar beide zonen dit huiserf in erfelijke pacht gegeven hadden aan Roelof Boeyseke de bakker en een oorkonde van 28 juli 1373, waarin Gelis Gelis Coppenz. en zijn vrouw Nelle, Weernaar de Haze en zijn vrouw Aachte, en Roelof, Dirk Peter en Aachte Tieman Roelofs kinderen – Nelle en de eerstgenoemde Aachte zullen ook kinderen van Tieman Roelofs zijn geweest – het huis en erf op het Oudkerkhof overgedragen hadden aan Thomas Hont. Deze moet korte tijd later overleden zijn. Want vervolgens had op de genoemde datum 8 juli 1376 Jacob Heer erkend dat hij van Liesbet weduwe van Thomas Hont en haar zonen Willem en Johan de laatste twee oorkonden en het huis en erf aan het Oudkerkhof, behoudens aan Liesbet, Willem Johan en hun rechtsopvolgers de poortweg aan de westkant van het erf op een aantal nader omschreven voorwaarden.


In de vijfde oorkonde die opgenomen is in de oorkonde van 27 oktober 1412, daterend van 20 november 1382, hadden Liesbet en Johan aan hun zoon respectievelijk broer Willem Hont hun drie vierde deel in het huis en erf De Hond overgedragen.


In de zesde oorkonde, daterend van 27 oktober 1412, erkenden Willem Hont en zijn vrouw Aleid bastaarddochter van heer Johan van Renesse van Rijnauwen dat zij in huwelijkse voorwaarden getrouwd waren en dat wanneer Willem overleed vóór Aleid en hij kinderen bij haar naliet, dat zij dan samen met haar kinderen alle goed zou delen.


Op 2 mei 1420 droegen Aleid en haar zoon Willem Hont aan Lambert dEdel het goed De Hont met de poortweg over en gaf vervolgens Lambert het in erfelijke pacht terug aan Aleid en Willem en hun nakomelingen.


Aleid vermaakte op 11 oktober al haar goed buiten haar schuld, testament en de kosten van de uitvaart (utinghe) aan haar oom Johan van den Doem en aan Gerit van den Oudensloet. Johan en zijn vrouw Geertruid ten slotte droegen op 13 juli 1424 de helft van het goed over aan Gijsbert Klaasz. Omdat Willem Hont niet meer vermeld werd, neem ik aan dat hij niet meer in bezit van het huis De Hond was.
















































Het Hondengat achter het huis De Hond aan de Vismarkt
Blauw het tracé van de noordelijke burchtgracht met noordelijk daarvan in het groen gekleurde gebied het huis De Hond. In oker is het Hondengat aangegeven (bewerkte plattegrond ontleend aan het Utrechts Documentatiesysteem).








 









[15] Dl. I (Utrecht 1844) 353-354. Ten onrechte zegt Van der Monde daar dat de familie Van de Vismarkt daar een huis bezat dat leenroerig was aan de burggraaf. In het door hem genoemde archiefstuk van 31 augustus 1358 deed de graaf van Holland, Albrecht van Beieren, de uitspraak dat dat huus metter hofstede onsen broeder als enen here van Aemstel toe behoerd ende Alaerds wijf van den Doem, Alijt, dat van him houden sel. Het ging hierbij om Vismarkt 11 (zie Nationaal Archief, Archief van de Graven van Holland 226, f. 1, nr. 1). Dit goed was was op 5 november 1346 door Albrechts voorgangster als gravin van Holland Margaretha van Henegouwen en haar minderjarige zoon Willem V in leen gegeven aan Aleid dochter van Arend Backer. Tevoren had Jacob de viskoper het in leen gehouden van graaf Willem IV (ald. f. 1, nr. 7). Deze sneuvelde in 1345 bij Stavoren in zijn strijd tegen de Friezen. Ik wil op de lenen van de Hollandse graaf in de stad Utrecht nog eens nader ingaan.


[16] HUA, 216 Dom 52, f. 7. Er wordt ook een eind gemaakt aan een geschil over de sloot achter de domimmuniteit aan de noordoostzijde bij de huidige Voetiusstraat.
























[17] Aangezien Willem in 1382 al volwassen was, zal deze bepaling niet in de huwelijkse voorwaarden hebben gestaan, maar inderdaad in 1412 vastgesteld zijn.















[18] HUA, 701 Stad I, 704 (1534) nr. 65.

Bijzonderheden

Na dit overzicht volgen hier nog enkele specificaties.


1. De ligging van huis en erf De Hond

In enkele oorkonden wordt de ligging van het huis De Hond gespecificeerd. In 1331 spreekt de stad van
 
hore stat hofstede dair zi  – dit wil zeggen Willem Hont en zijn kinderen – op woenden, gelegen opte Vischmarct, die zi vander stat in erfpachte hadden, tusschen hofstede veren Wendelmoeden Aelmans ande zuytside ende Johan Hughen zoens aende noertzide.

Bij het erf aan de zuidzijde ging het om Vismarkt 8 en bij het erf aan de noordzijde om Vismarkt 4-5 (zie de webpagina Het huis De Roos).

In 1339 luidde de omschrijving: die hofstede ende husinghe gheleghen opte Vischmarct, dair Jacob de Oude ende verLise ziin wiif wilenneer op te wonen plaghen.

Uitgebreider was de omschrijving in de oorkonde uit 1365:

die husinge ende hofstede gheleghen opte Vischmarct van voer vander graften oestwairts op streckende tot Johan Foeyten hofstede toe, tusschen hofstede Volpert Hazaerts aende overside ende tusschen hofstede Beernts opte Vischmarct ande nederzide.

In 1382 weer korter:
inder husinghen ende hofsteden ten Hont alsoet gheleghen is opte Vischmarct after ende voer mit alle horen toebehoren.

Op 2 mei 1420 was de omschrijving weer zeer uitgebreid:

de husinge ende hofstede mitter straten voir ende after, egghen ende eynden, mit alle horen toebehoren ende mitten poertwech after uutgaende doer der husinghe die Hubert Egberts zoens te wesen plach, also alse dese voirseide husinge ende hofstede gheleghen is opte Vischmarct ende gheheten is den Hont ende Willam Honts te wesen plaghen doe hi in sinen laetsten live was, tusschen husinge ende hofstede Peter Hazaerts ande overside ende tusschen husinge ende hofstede gheheten de Rose ande nederside.

De hierboven al genoemde poortweg werd hier met name vermeld. Verder wordt Vismarkt 4-5 met de huisnaam De Roos aangeduid.


2. De poortweg

De poortweg neemt in het transsumpt een speciale plaats in. Daarvoor wordt zelfs een oorkonde uit de dertiende eeuw ingelast. In dit stuk, daterend van 15 oktober 1294 gaven voor het schepengerecht twee Utrechtse burgers, Dirk van Loenersloot, ridder, en Bertoud Zachariasz. aan Willem Wolfraadsz. het erf op het Oudkerkhof waarover later de poortweg zou lopen in erfelijke tijns. Op 28 juli 1338 deden Liesbet weduwe van Hendrik Voirloep en haar zonen Dirk en Bertoud dit zonder dat het verband met de oorkonde uit 1294 hierbij werd aangegeven of duidelijk wordt. Het huis en erf,
op zulken pacht alse gheleghen ziin opt Oudekerchof , werd op 28 juli 1373 door waarschijnlijk de zes kinderen van Tieman Roelofs overgedragen aan Thomas Hont, de bezitter van het huis De Hond aan de Vismarkt

Waarschijnlijk heeft bij hem toen al de bedoeling voorgelegen om over dit goed, dat aan de achterzijde grensde aan zijn erf, een poortweg naar het Oudkerkhof te leggen. Na zijn overlijden niet lang daarna verkochten zijn weduwe Liesbet en haar zonen Willem en Johan op 8 juli 1376 aan Jacob Heer op de pacht die er toen uitging op een aantal voorwaarden met betrekking tot de poortweg:


behoudeliken Lisebetten, Willam Hont ende Johan Hont, horen zoenen voirscreven, ende horen nacomelinghen ewelic den poertwech ande westside allanghes vanden zelven huze van vier voeten wijt ende twe vingherbreet ende van tiendehalve voeten hoech ende niet min mer meer op Jacob Heer wil vryliken te hebben ende te bruken. Ende Jacob Heer ende ziin nacomelinghen zellen dien poertwech die muer aen beiden ziden dichthouden op hoirs zelfs cost buten Lisebetten cost ende scade ende hore kijndere ende nacomelinghen. Voirt zo sel Jacob Heer voirseit ende ziin nacomelinghen dien poirtwech boven luchten tot tween steden, alse tot elken stede mit enen veynster derdehalf voete wijt ende vijftehalf voeten lang.

De Utrechtse voet bedroeg 26,8 centimeter. Deze poortweg is nog steeds aanwezig. In zijn werk Geschied- en oudheidkundige beschrijving van de pleinen, straten, stegen, waterleidingen, wedden, putten en pompen van N. van der Monde uit 1844 vermeldt deze dat hij het Hondengat werd genoemd.[15]


3. De rechtstoestand


De rechtstoestand van het huis en erf De Hond kan uit de bewaard gebleven bronnen niet goed verklaard worden. De oorkonde van 12 april 1331 vermeldt dat de stad aan Willem Hont en zijn kinderen en hun rechtsopvolgers hore stat hofstede in erfelijke pacht had verleend en dat de stad hun nu den vryen eyghendom daarvan gaven. Dit wil zeggen dat het erf voortaan niet meer ‘gehouden’ werd, dus alodiaal bezit was geworden. Maar dit verdraagt zich niet met de oorkonde van 31 juli 1339, waarin het domkapittel zowel het erf als het huis, waarin vroeger Jacob de Oude en zijn vrouw Lieze hadden gewoond, overdroegen aan Willem Hont en zijn kinderen.


Er bestond echter een geschil over de rechten op het goed tussen het domkapittel en de stad. Want een oorkonde van dezelfde datum, uitgevaardigd door het kapittel van de stad tezamen, vermeldt de rechtshandeling onder dezelfde bewoordingen onder de aanhef:


Dit syn de vorwaerden die om vriendelicheyde ende om ruste ghemaect ende overdraghen sijn tusschen dien doemdeken ende dat capetel der kerken van Utrecht aen die een side ende der stat van Utrecht aen die ander side.[16]

In de oorkonde van 27 mei 1365 geeft Braam uter Corenmarct het huis en erf in erfelijke pacht aan Thomas Hont voor 25 pond per jaar. Wat hier na 31 juli aan voorafgegaan is, heb ik niet kunnen achterhalen, maar ik acht het niet ondenkbaar dat Thomas het goed eerst aan Braam overgedragen had om het vervolgens van hem in erfelijke pacht te krijgen. Waarschijnlijk heeft hij behoefte gehad aan geld. We zullen zien dat een dergelijke gang van zaken wel vaker voorkwam. Hoe dat ook zij, op 29 april 1404 werd door de weduwe en kinderen van Braam een kwart van de 25 pond per jaar afgelost.


Hiervóór is er al melding van gemaakt dat Thomas Hont het goed Oudkerkhof 11 had verworven om er aan de westkant een poortweg langs te leggen.


Op 20 november 1382 droegen Liesbet weduwe van Thomas Hont en hun beider zoon Johan aan hun zoon respectievelijk broer Willem ¾ deel van het goed over. De weduwe zal de helft geërfd hebben en de beide zonen een kwart van het goed. Door de transactie was Willem weer in het bezit van het gele goed gekomen.

Willem was op huwelijke voorwaarden gehuwd met Aleid bastaarddochter van Johan van Renesse van Rijnauwen. Op 27 oktober 1412 bepaalden zij dat wanneer Willem stierf vóór Aleid en kinderen uit hun huwelijk naliet, dat zij dan met haar kinderen ter rechter deylinghe zoude gaen van alle goed dat zij zou nalaten.[17]

Op 2 mei 1420 ten slotte droegen Aleid en Willem het goed over aan Lambert dEdel om het op dezelfde datum van hem terug te krijgen in erfelijke pacht. De jaarlijkse pachtsom bedroeg 12 Engelse nobels per jaar. Uit het goed gingen al 6 pond en 5 schellingen per jaar aan de weduwe van Jan Scvaert en haar kinderen.

Hierna is de helft van het goed in het bezit gekomen van Jan van den Doem en zijn vrouw Geertruid. Mogelijk was Geertruid een dochter van laatstgenoemde Willem Hont. Ook Gijsbert Klaasz., aan wie die helft werd overgedragen, kan getrouwd zijn geweest met een dochter van Willem. Maar daarover ontbreken vooralsnog de gegevens

Meer dan een eeuw later, op 19 mei 1534 verkreeg Eduard Daniëlsz. de stadstrompetter negen twintigste deel van het goed van Peter Meusz. en Lubbert Dirksz. Knijff. Eduard had toen de andere elf twintigste delen al in zijn bezit.[18] Wat er aan deze transactie vooraf is gegaan, ligt vooralsnog in de schoot van het verleden verborgen.

Fragmentgenealogie van de familie Hont


I. Willem Hont, genoemd in 1331 en 1339;

II. Thomas Hont, overl. na 27 mei 1365 en vóór 20 november 1382;
geh.met Liesbet, overl. na 20 november 1382;
hieruit: Willem Hont (zie III) en Johan Hont, in 1374 genoemd als schepen van Utrecht

III. Willem Hont, genoemd in 1403 en 1404, overl. na 27 oktober 1412 en vóór 2 mei 1420; geh. met Aleid bastaarddochter van Johan van Renesse van Rhijnauwen, overl. na 11 oktober 1421 en vóór 13 juli 1424

IV. Willem Hont, genoemd 2 mei 1420

Middeleeuwse bezitters van het huis De Hond


                  
  Jacob de Oude en Lize (gehouden van de stad?)
                     de stad in erfelijke pacht > Willem Hont
1331.04.12   de stad den vryen eyghendom > Willem Hont
1339.07.31   het domkapittel > Willem Hont en zijn kinderen en
                     rechtsopvolgers
1365.05.17  Braam uter Corenmarct in erfelijke pacht > Thomas Hont
1382.11.20  Liesbet weduwe Thomas Hont en haar zoon Johan ¾  deel
                    > hun zoon en broer Willem
1420.05.02  Willem en zijn vrouw Aleid > Lambert dEdel
1420.05.02  Lambert dEdel in erfelijke pacht > Aleid en haar zoon Willem
1420.11.20  Aleid weduwe van Willem Hont al haar goed
                    > haar oom Johan van den Doem en Gerit van den Oudensloet
1424.07.13  Jan van den Doem en Geertruid de helft > Gijsbert Klaasz.

Bijlage

1424 juli 13


Orig: HUA, 701 Stadsarchief I (1122-1577), nr. 582. Resten van het uithangend stadsgrootzegel.

Regest: S. Muller Fz., Regesten van het archief der stad Utrecht (Utrecht 1896) nr. 694.
Editie: J. van de Water (uitg.), Groot placaatboek - - - ’s lands van Utrecht, mitsgaders - - - der stad Utrecht tot het jaar 1728 ingesloten (Utrecht 1729), dl. III, 61-63.

Jan van den Dom en zijn vrouw Geertruid dragen de helft van hun rechten op het huis De Hond aan de Vismarkt in Utrecht over aan Gijsbert Klaasz.

Alle den ghenen die desen brief zellen zien of horen lesen doe wi verstaen scoute ende scepene der stat van Utrecht dat voer ons quamen int gherechte Jan vanden Doem ende Gheertruyt ziin wiif, ende toenden aldair enen statbrief, gans ende gave ende wel bezegelt mit onser stat grote zegel van // Utrecht, sprekende van woirde te woirde aldus:

Alle den ghenen die desen brief zellen zien of horen lesen doe wi verstaen scoute ende scepene der stat van Utrecht dat voer ons quamen int gherechte Lambert dEdele, ende toende aldair enen statbrief, gans ende gave ende wel besegelt mit onser stat grote // zegel van Utrecht, sprekende van woirde te woirde aldus:
Alle den ghenen die desen brief zellen zien of horen lesen doe wi verstaen scoute ende scepene der stat van Utrecht dat voir ons quamen int gherechte joncfrou Aleit de Willams Honts wiif was ende Willam Hont, hoir zoen, ende toenden // aldaer zeven brieve, gans ende gave ende wel bezegelt mit onser stat grote zegel ende mit zegellen des scouten enter scepene van onser stat,
dair die eerste brief of hielt hoe dat die scepene, rade ende ghemene oudermans vanden ouden rade ende vanden nywen der stat van Utrecht vercoft had//den Willem Hont ende zinen kijnderen hore stat hofstede dair zi op woenden, gelegen opte Vischmarct, die zi vander stat in erfpachte hadden, tusschen hofstede veren Wendelmoeden Aelmans ande zuytside ende Johan Hughen zoens aende noertzide, van welker hofstede zi hem den vryen eyghendom // of gaven. Vanden eersten brief zo hielt die date int jaer ons Heren dusent drehondert ende een ende dertich, des vrydaghes na Beloken Paschen;
item die ander brief hielt hoe dat die doemdeken ende dat ghemene capittel der kerken van Utrecht over ghegheven ende qwijt ghescouden hadden clair//liken die hofstede ende husinge gheleghen opte Vischmarct, dair Jacob de Oude ende verLise ziin wiif wilenneer op te wonen plaghen, tot behoef Willem Honts ende zire kijndere ende hore nacomelingen eweliken. Ende vanden anderen brief zo hielt de date int jair ons Heren dusent // drehondert neghen ende dertich op sinte Peters avont tot uutgaende oest;
item die derde brief hielt hoe dat Braem uter Corenmarct ghegheven hadde tot enen eweliken erfpachte Thomaes Hont die husinge ende hofstede gheleghen opte Vischmarct, van voer ander graften oestwairts op // streckende tot Johan Foeyten hofstede ende tusschen hofstede Volpert Hazaerts aende overside ende tusschen hofstede Beernts opte Vischmarct ande nederzide, elx jairs om viif ende twintich pont penninghe payments dat inder tijd der betalinge ghenghe ende gave wesen sel bynnen onser stat, // tebetalen die ene helfte tot zinte Victoers misse ente ander helfte tot Paschen, ende also voirt jairlix eweliken. Ende vanden derden brief zo hielt de date int jair ons Heren dusent drehondert viif ende tsestich, des dinxdages na sinte Urbaens dach;
doir welken statbrief voirseit een transfixbrief // stac, ende hielt hoe dat joncfrou Bely de Braems wiif was uter Corenmarct, Braem, joncfrou Engel ende joncfrou Nelle, hoir kijndere, ghegheven hadden alse recht was Willem Hont den vryen eyghendom van enen vierendel van viif ende twintich ponden siaers uter husinge ende hofstede // dair de voirseide statbrief of spreect, ende hem mede gheloeft hadden jair ende dach te waren ende alle voirplechten ofte doen. Ende vandien transfix voirseit zo hielt de date int jair ons Heren dusent vierhondert ende vier, des dinxdaghes na zinten Marcus dach ewangelist;
item die // vierde brief hielt hoe dat Lisebet die Thomaes Honts wiif was, Willam Hont ende Johan Hont, hoir zoenen, ghetoent hadden enen statbrief, ende hielt hoe dat Lisebet die Henric Voirloeps wiif was, Henric Voirloep ende Pilgrim, hore zoenen, ghetoent hadden enen erfpachtbrief, gans ende // gave ende wel bezegelt, ende hielt van woirde te woirde aldus in Latine:
Omnibus presentes litteras inspecturis nos scultetus et scabini Traiectenses notum facimus quod constituti in iudicio coram nobis dominus Theodericus de Loenresloet, miles, et Bertoldus filius Zacharie, cives nostri, contulerunt Wil//helmo Wolfradis aream sitam super Oudekerchof inter aream Aelberti et Iacobi, filiorum Vastradi, ex parte superiori et inter aream domine Lise, relicte Christofori, et Iohannis Vrencken ex parte inferiori, in censum perpetuum, videlicet pro triginta solidis denariorum usualium in Traiecto solvendis, pro media parte in // festo Pasche et pro alia parte in festo beati Victoris et sic deinceps perpetuo annuatim, tali condicione quod Theodericus et Bertoldus predicti, eorum heredes vel successores non possunt plus vendere, dare vel exponere in area predicta quam dictum censum sub dictis condicionibus, sed Wilhelmus predictus, sui heredes vel suc//cessores licite possunt vendere, dare vel exponere edificia super dictam aream nunc constructa et postmodum construenda sub censu predicto, addito, si vendenda fuerint, debent exhiberi primo domino Theoderico et Bertoldo predictis vel heredibus eorum ipsis mortuis, ita ut alter ipsa esset habiturus.
Actum sub Her//manno de Velde, sculteto, domino Lamberto Fresone, milite, Hermanno Arneldis, Theoderico Vrencke, Hermanno Olderidder, Frederico Zoudenbalch, Iacobo Iacobi, Rotaerdo de Stella, Hermanno Teutelart, Ghiselberto Pellencussen, Alardo Ere et Iohanne Ghiselberti, scabinis Traiectensibus, qui civitatis nostre sigillum appo//suimus huic scripto.
Datum anno Domini Mo CCo nonagesimo quarto, feria sexta post Victoris;
ende hoe dat Lisebet, Henric ende Pilgrim, hoir kijndere voirghenoemt, mit zamender hant voirt tenen eweliken erfpachte ghegheven hadden Roelof Boeysekini den backer dese voirgenoemde hofstede, egghen ende // eynden alse gheleghen is, elx jairs om zes pont ende viiftien scillinghe suarter tornoyse, enen goeden groten coninx tornoyse voir zestien penninghe ende enen goeden hollantschen voir twe penninghe gherekent, die ene helfte tot Paschen tebetalen ende die ander helfte tot sinte Victoirs // misse, ende also voirt jairlix ewelike, dair die date of hielt int jair ons Heren dusent driehondert achte ende dertich, des dinxdages na zinte Jacobs;
ende hoe dat Gelijs Gelijs Coppen zoens zoen, Nelle ziin wiif, Weernaer de Haze, Achte ziin wiif, Roelof, Dirc, Peter ende Aechte Ty//man Roelofs zoens kijnder ghegheven hadden alse recht was Thomas Hont die husinghe ende hofstede op zulken pacht alse gheleghen ziin opt Oudekerchof op die zuytside vander straten tusschen der hofstede dair Roelof die Egbert Stevens zoens wijf was ende hoir kijndere op // woenden ande overside ende tusschen der hofstede dair Lisebet die Mourijs Mombaers wiif was op woende ande nederzide, ende hem mede gheloeft hadde jaer ende dach te waren ende alle voirplechten ofte doen, dair die date of hielt int jair ons Heren dusent drehondert dre ende // tseventich, des donredages na sinte Jacobs dach inden zomer;
ende hoe dat Jacob hoir belyet hadde alse dat hi ontfanghen hadde van Lisebetten de Thomaes hoirs wiif was, Willam ende Johan hoiren zoenen dese twe leste brieve ende die husinge ende hofstede die inden zelven brieven // bescreven staen op zulken pacht alse gelegen ziin, alse op zes pont ende viiftien scillinge siaers, behoudelike Lisebetten, Willem Hont ende Johan Hont, horen zoenen voirscreven ende horen nacomelinghen ewelic den poertwech ande westside allanghes vanden zelven huze van vier voeten wijt // ende twe vingherbreet ende van tiendehalven voeten hoech ende niet min mer meer, op Jacob Heer wil vryliken te hebben ende te bruken; ende Jacob Heer ende ziin nacomelinghen zellen alle jair betalen den alinghen pacht die uter alingher hofstede gaet also dat Lisebet noch hoir kijn//dere noch hoir nacomelinghen dair ghenen cost noch scade bi en liden anden voirseiden poertwech; ende Jacob Heer ende ziin nacomelinghen zellen dien poertwech die muer aen beiden ziden dichthouden op hoirs zelfs cost buten Lisebetten cost ende scade ende hoir kijndere ende hore naco//melinghen. Voirt zo sel Jacob Heer voirseit ende ziij nacomelinghen dien poirtwech boven luchten tot tween steden, alse tot elker stede mit enen veynster, derdehalf voete wijt ende vijftehalf voeten lang. Ende van dien vierden brief zo hielt de date int jair ons Heren dusent drehon//dert zes ende tseventich, des dinxdages na sinte Martijns dach translacio;
item die vijfte brief hielt hoe dat Lisebet de Thomaes Honts wiif was ende Johan hoir zoen ghegheven hadden alse recht was Willam Hont, hoiren zoen ende broeder, hoer driedele ende alle rechts ende toeseg//ghens dat zi hadden inder husinghen ende hofsteden ten Hont, alsoet gheleghen is opte Vischmarct, after ende voer, mit alle horen toebehoren, daer den zelven Willam Hont dat vierendeel te voeren of ziin was ende hem in erfnissen aen ghecomen is van Thomaes Honts doot, // zijns vaders, ende daer of verteghen hadden tot Willams behoef voirghenoemt, alse recht ende oirdele wiisde dat zi sculdich waren te doen. Ende vanden viiften brief voirseit zo hielt de date int jair ons Heren dusent drehondert twe ende tachtich, des donredages voir sinten // Katrinen dach;
ende die zeste brief hielt hoe dat Willam Hont ende joncfrou Aleit ziin wiif, haren Johans bastaerts dochter van Rynesse ende van Rynouwen, ridders, belyet hadden dat zi in hilixvorwaerden mit malcanderen versament waren, waert dat Willam of//livich worde eer joncfrou Aleit ziin wiif ende hi blikende boerte bi hoir after hem liete, dat zi dan mit horen kijnderen die zi bi hem hadde ter rechter deylinghe gaen zoude van allen goede dat daer dan wair. Ende vanden zesten brief zo hielt de date int jaer ons Heren dusent // vierhondert ende twalof, des donredages op sinte Symons ende sinte Juden avont.
Ende doe wi dese voirscreven brieve ghesien ende wel verstaen hadden, aldair zo gaven joncfrou Aleit de Willam hoirs wiif was ende Willam Hont hoir zoen voirseit, alse joncfrou // Aleit mit hoirs ghecoren mombairs hant, dair zi mit rechte ende mit oirdele aen quam, ende Willam Hont, hoir zoen voirseit, gaf mit hande zire maghe van zinen vier verndelen Lambert den Edelen de husinghe ende hofstede mitter straten voir ende after, egghen ende eynden, // mit allen horen toebehoren ende mitten poertwech after uutgaende doer der husinghe die Hubert Egberts zoens te wesen plach, also alse dese voirseide husinge ende hofstede gheleghen is opte Vischmarct ende gheheten is den Hont, ende Willam Honts te wesen plaghen doe hi in sinen // laetsten live was, tusschen husinge ende hofstede Peter Hazaerts ande overside ende tusschen husinge ende hofstede gheheten de Rose ande nederside, ende verteghen dair of ende van allen brieven die dair of roerende ziin tot behoef Lamberts Edelen voirghenoemt alse recht ende // oirdele wiisde dat zi sculdich waren te doen.
Mede zo quamen voir ons ter zelver tijt int gherechte Johan de Vos ende Henric van Voscule, ende aldaer zo loveden joncfrou, Aleit ende Willam hoir zoen voirscreven mit hande alse voirscreven is, ende Johan de Vos ende Henric van // Voscule voirseit loefden elc mit hoirs zelfs hande ende alle vier tesamen mit ghesamender hant elc voer al ende onghesceiden den voirseiden Lambert den Edelen dese husinge ende hofstede mit allen horen toebehoren alse voirscreven is jair ende dach te waren na zinte Lamberts // dach naest comende, ende alle voirplechten ofte doen op zes pont ende viif scillinge siaers die Johan Scavaerts wiif ende hoir kijndere daer uut hebben. Mede zo is ons kenliken hoe dat Thomaes Hont, Willam Honts zoen, voirtijds voir die scoute ende scepene tUtrecht int gerechte // verteghen hadde tot behoef Willam Honts, zijns vaders, van allen goede ende erfnisse dat hem aen bestorven was van Lisebetten doet, zijnre moeder.
Ende hier op worden dese voirseide brieve ghescoert tot onser antwoirde, behoudeliken des tieghenwoirdighen briefs volcomen macht te // hebben ende dair toe alle die machte ghelikerwijs ende in allen manieren of de voirscreven brieve onghescoert ghebleven waren.
Dit ghesciede onder Claes Sloyer, scoute, Johan Pot, Vrederic van Drakenborch, jong Beernt Proeys, Claes van Loenen, Dirc van Houdaen, Willam Woutman, Tyman // Paelvoet, jong Johan van Lichtenberch, Eerst vander A Johans soen, Jacob van Ameronghen, Johan Trinde, ende Bertelmeeus Zoudenbalch, scepene tUtrecht.
Ende op dat dit vaste ende scade blive, zo hebben wi scoute ende scepene voirghenoemt onser stat zegel aen desen brief ghedaen tenen orconde.
Ghegheven int jair // ons Heren dusent vierhondert ende twintich, des donredages na sinte Philips ende sinte Jacobs dach.
Ende doe wi desen voirscreven statbrief ghesien ende wel verstaen hadden, aldair zo gaf Lambert dEdel voirseit weder tot enen eweliken erfpacht joncfrou Aleiden die Willam Honts wiif was, // ende Willam horen zoen die husinge ende hofstede dair de voirscreven brief of spreect elx jairs om zes pont ende viif scillinge die Jan Scavaerts wiif ende hoir kijndere daer uut hebben, ende daer toe elx jairs om twalof goede oude gulden Eduwaertsche Enghelsche nobele goet // van goude, van volre ghewichten ende van gherechter munten of payment dair voir dat also goet is alse de nobels voirscreven in elker tijd der betalinghe, tebetalen die ene helfte van alle den pacht ende renten voirscreven tot sinte Victoers misse nu naest comende ente ander // helfte tot Paschen dair naest comende, ende also voirt jairlix ewelic, mit zulken vorwairden dat Lambert dEdel voirscreven, siin erfnamen noch ziin nacomelinghen en moeghen niet meer vercopen noch wechgheven noch versetten noch verzellen aen deser voirscreven husinge ende hofstede // dan desen voirghenoemden pacht, maer joncfrou Aleit die Willam Honts wiif was ende Willam hoir zoen voirscreven, hore erfnamen ende hoir nacomelinghen moeghen vryliken vercopen of wechgheven of versetten of versellen dese voirseide hofstede ente husinghe // die dair nu op ghetymmert staen of hier na ghetymmert werden, onder zulken pacht ende vorwairden alse hier voir bescreven staet, also verre alse zi hoir husinge ende dien erfpacht dien zi aen deser hofstede hebben op gheven voir den scoute ende scepene tUtrecht alse zi te rechte // zitten ende anders niet. Ende Lambert dEdel loefde mede op dit voirscreven goet ende op anders gheen goet alse dat hi ende zine nacomelinghen die zes pont ende viif scillinge siaers die Johan Scavaerts wiif was ende hoir kijndere uut den voirscreven goede hebben jairlix te goeder // tijd tebetalen ende verwaren sel buten cost ende scade joncfrou Aleyden ende Willams hoirs zoens voirseit ende hore erfnamen ende nacomelinghen duerende tot ewighen daghen.
Dit ghesciede onder Claes Sloyer, scoute, Johan Pot, Vrederic van Drakenborch, jong Beernt Proeys, // Claes van Loenen, Dirc van Houdaen, Willam Woutman, Tyman Paelvoet, jong Jan van Lichtenberch, Eerst vander A Jans zoen, Jacob van Ameronghen, Johan Trinde ende Bertelmeeus Zoudenbalch, scepene tUtrecht.
Ende op dat dit vaste ende stade blive, zo hebben wi scoute ende scepene voirghenoemt // onser stat zegel aen desen brief ghedaen tenen oirconde.
Ghegheven int jair ons Heren dusent vierhondert ende twintich, des donredages na zinte Philips ende sinte Jacobs dach.
Mede zo toenden ons Jan vanden Doem ende Gheertruyt ziin wiif voirscreven enen scepenebrief, gans ende gave ende wel // besegelt mit zegellen des scouten enter scepene van Utrecht, sprekende van woirde te woirde alse hier na bescreven staet:
Alle den ghenen die desen brief zellen zien of horen lesen doe wi verstaen Claes Sloyer, scoute, Godert de Coninc, Eerst van Herdenbroec, Willam van Ghent ende Folprecht // Foeyte, scepene tUtrecht, dat voir ons quam int gherechte Aleit de Willam Honts wiif was, ende gaf ende makede mit hoirs ghecorens mombairs hant, dair zi mit rechte ende mit oirdele aen quam also alse zi over de derde huys ghegaen was Johan vanden Doem, horen oem, // ende Gherijt vanden Oudensloet alle goets dat zi after hoir laet na hore doet boven hore scout, testament ende utinghe.
In oirconde deser dinghe zo hebben wi scoute ende scepene voirghenoemt onse zegelle aen desen brief ghedaen.
Ghegheven int jair ons Heren dusent vierhondert ende een ende twintich, des // zaterdaghes na sinte Victoirs dach.
Ende doe wi dese voirscreven brieve ghesien ende wel verstaen hadden, aldair zo gaven Jan vanden Doem ende Gheertruyt ziin wiif voirscreven over mit zamender hant alse recht wiisde Ghisebert Claes zoen die helfte vander husinge ende hofstede // dair die zelve brieve of spreken ende alle rechts dat zi dair aen hadden, ende verteghen dair of tot Ghisebert Claes zoens behoef voirghenoemt alse recht ende oirdele wiisde dat zi sculdich waren te doen, ende gheloefdent hem mede jair ende dach te waren na sinte Lamberts dach // naest comende op zulken pacht ende renten alse dair uutgaen, ende alle voirplechten ofte doen.
Dit ghesciede onder Dirc Grawaert, scoute, Vrederic van Drakenborch, jong Beernt Proeys, Dirc van Houdaen, Jan overde Vechte Hermans zoen, Willam van Zulen, Braem van Lantscrone, // jong Jan van Lichtenberch, Adryaen van Lantscrone, Jan Trinde, jong Jan de Coninc ende Vranck Godevairts zoen, scepene tUtrecht.
Ende opdat dit vaste ende stade blive, zo hebben wi scoute ende scepene voirghenoemt onser stat zegel aen desen brief ghedaen tenen orconde.
Gegeven int jair ons Heren dusent vier // hondert vier ende twintich, des donredages op sinte Margrieten dach.
Transsumpt van 13 juli 1424
Het transsumpt van 13 juli 1424 met een rest van het groot stadszegel (Het Utrechts Archief, Stadsarchief I (1122-1577) nr. 582).

© 2020 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 13 mei 2020; laatst bewerkt 13 mei 2020.