Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Een bisschop wijdt een kerkhof
Het ‘oranje mannetje’ achter een bisschop die  een kerkhof wijdt in het Pontificale van Sint-Marie van omstreeks 1450. Hij draagt op deze afbeelding de bisschopsstaf.
‘Dat oranje mannetje’
Diaken of aartsdiaken?
door Martin de Bruijn


In het wetenschapskatern van NRC Handelsblad van zaterdag en zondag 21 en 22 april 2012 stond onder de kop ‘Let op dat oranje mannetje links’ een artikel van journalist Karel Berkhout over de vondst van een Amerikaanse studente. Het betrof de aanwezigheid van een ‘oranje mannetje’ op de miniaturen in een befaamd Utrechts handschrift, het Pontificale van Sint-Marie van omstreeks 1450. Het gaat telkens om een achter een bisschop staande geestelijke in een koormantel. Volgens deze studente is het een belangrijke geestelijke, een aartsdiaken. In het betreffende artikel komt onderstaande tekst voor (de daarin genoemde Jaski is medewerker van de Universiteit Utrecht en hangt deze opvatting ook aan op de website van de Universiteitsbibliotheek Utrecht):

Tekst 'oranje mannetje'
Een deel van de tekst van het artikel over het ‘oranje mannetje’ op de miniaturen van het befaamde Utrechtse handschrift.
[1] Ik denk dat het bij dat ‘oranje mannetje’ eenvoudigweg om de diaken gaat die de bisschop assisteert. Op de folia 14v., 15 en 16v. van het handschrift lezen we dat de diaken tijdens de daar beschreven handelingen ‒ achtereenvolgens de wijding van een exorcist, een acoliet en een subdiaken ‒ oproept om te knielen en daarna weer op te staan, in bewoordingen die ik me nog maar al te goed uit mijn jeugd herinner:
Flectamus genua. Levate.
Flectamus genua. Levate.
Dat een proost-aartsdiaken zich als een eenvoudige assistent van de bisschop zou laten afbeelden met de bedoeling om zijn macht tot uitdrukking te brengen, lijkt me erg onwaarschijnlijk. Overigens werden de wijdingen in het laatmiddeleeuwse Utrecht niet verricht door de bisschop zelf, maar door zijn wijbisschop (zie bv. J.F.A.N. Weijling, Bijdrage tot de geschiedenis van de wijbisschoppen van Utrecht tot 1580 (Utrecht 1951)). Dat alles tezamen maakt de theorie van Rochmes/Jaski hoogst onaannemelijk, om niet te zeggen absurd.


[2] Zie voor dit laatste W. Nolet en P.C. Boeren, Kerkelijke instellingen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1951) 208-225; over de wijbisschop: 174-176; J. Kuys, Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht (Nijmegen 2004) 128-147; over de wijbisschop: 121-126. Over het leven binnen een kapittel vooral B. (= A.J.) van den Hoven van Genderen, De heren van de kerk. De kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de Late Middeleeuwen (Zutphen 1997).
Het is gebruikelijk dat een journalist zo nodig onderzoeksresultaten ‘vertaalt’ voor een groter publiek, zelfs in het wetenschapskatern van een elitekrant als NRC Handelsblad. Maar dan mag wel verwacht worden dat dit op een zorgvuldige manier gebeurt.

Zonder op alle onjuistheden en ongelukkige formuleringen in het bovenstaande stuk tekst in te gaan en los van de vraag of het
‘oranje mannetje’ inderdaad een proost-aartsdiaken is,[1] wil ik opmerken dat enkele uitspraken getuigen van een stuitend gebrek aan kennis. Met de Utrechtse kapittels een soort kerkbesturen te noemen doet men om te beginnen deze colleges ernstig te kort. Hun belangrijkste taak was immers de augmentum cultus divini, de vermeerdering van de goddelijke eredienst in hun kapittelkerk op vaste tijden van de dag en de nacht, en hiernaast waren zij, en niet alleen hun proosten, onder meer betrokken bij het bestuur van het bisdom.

Dat elke kapittelkerk in Utrecht tien tot twintig kanunniken had, is klinkklare onzin. Alleen het Utrechtse domkapittel had er al veertig en de overige vier kapittels elke twintig of dertig.

Volgens Berkhout leidden de kanunniken van de Utrechtse kapittels ‘een verlicht monnikenbestaan’. Dat deden ze nu juist niet! Monniken legden de geloften van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede af en leidden een gemeenschappelijk leven.

De kanunniken van de Utrechtse kapittels daarentegen legden wel de beloften van kuisheid en gehoorzaamheid af, maar niet die van armoede, en ze hadden al in de twaalfde eeuw het gemeenschapsleven grotendeels opgeheven. Ze mochten een eigen vermogen hebben. Met hun personeel woonden velen van hen in grote ‘claustrale’ huizen rondom de kapittelkerken. Ondanks de wél afgelegde gelofte van kuisheid hadden ze in de Late Middeleeuwen vaak een levensgezellin en kinderen.


Dat de proost de kapittelgoederen beheerde, was in de aanvang wel juist, maar al in de dertiende eeuw vond er een splitsing plaats tussen proosdijgoederen en kapittelgoederen. Van de proosdijgoederen was een deel bestemd voor het kapittel, een kleiner deel voor de proost zelf. De verdeling leidde voortdurend tot onenigheid, zodat de proost en zijn kapittel zeker niet zonder meer als een eenheid tegenover de bisschop mogen worden beschouwd.[2]


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2012-2016. - Gepubliceerd april 2012; laatst bewerkt 13 december 2016.