Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

Bronnen
Voor de hier gebruikte afkortingen zie ook de webpagina Stamreeks Van Heyst-De Bruijn.
Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamers 45073 (cijnskring Oisterwijk; 1448), f. 45.
Gemeentearchief 's-Hertogenbosch [GAHt], Rechterlijk archief [R.] 's-Hertogenbosch 1185, f. 224v. (27.10.1407); 1189, f. 122-122v. (30.4.1415); 1193, f. 301-302v. (30.1.1423); 1194, f. 63 (27.1.1425); 1210, f. 365v.-366 (24.9.1440); 1211, f. 291v. (14.12.1440), f. 294v. (7.1.1441); 1212, f. 113v.-114 (13.1.1442; 18.1.1442), f. 234 (13.1.1443), f. 235 (18.1.1442), 157v. (29.3.1442), f. 178v. (7.6.1442); 1213, f. 172v. (19.1.1443), f. 221v. (6.6.1443), f. 305v. (19.9.1443); 1214, f. 9 (31.10.1443), f. 227v. (31.10.1443), f. 134v. (7.11.1443; 9.11.1443;14.11.1443), f. 228 (9.11.1443), f. 180 (2.4.1444); 1215, f. 34 (20.1.1445); 1216, f. 290v. (17.2.1446), f. 341 (31.3.1446), f. 230-230v. (1.7.1446), f. 322 (1.7.1446), f. 252 (13.8.1446); 1217, f. 443v. (21.3.1447); 1218, f. 328v. (8.2.1448), f. 125v. (30.3.1448), f. 395 (9.7.1448); 1220, f. 204-204v. (11.3.1450); 1221, f. 321v. (18.6.1450); 1222, f. 263 (22.1.1452), f. 43 (14.03.1452), f. 81v. (27.7.1452), f. 120v. (1.9.1452); 1223, f. 133 (2.3.1453), f. 218 (25.5.1453), f. 140 (30.5.1453); 1224, f. 15 (24.11.1453), f. 324v. (13.12.1453), f. 22v. (29.12.1453), f. 36-36v. (7.2.1454), f. 106v. (21.2.1454), f. 109v. (30.3.1454); 1225, f. 370 (27.2.1455), f. 83 (19.6.1455), f. 102 (14.8.1455); 1226, f. 2v. (4.10.1455), f. 207 (16.10.1455), f. 61 (5.2.1456), f. 451 (5.2.1456), f. 452v. (5.2.1456), f. 479v. (3.3.1456), f. 108v. (20.5.1456), f. 163v. (16.9.1456); 1227, f. 330v. (4.12.1456), f. 248 (25.5.1457), f. 436 (24.6.1457), f. 457 (20.8.1457); 1228, f. 253v. (29.10.1457), f. 333 (29.10.1457), f. 114 (24.12.1457), f. 279 (16.2.1458); 1230, f. 140 (11.10.1459); 1231, f. 26v. (5.12.1460), f. 89v. (13.3.1461), f. 153 (4.9.1461); 1801, f. 16v. (14.3.1461; 14.11.1443); 1232, f. 13v. (24.11.1461); 1234, f. 197v. (30.1.1464); 1236, f. 98v. (13.6.1467); 1237, f. 51 (22.8.1468); 1238, f. 241v. (29.9.1469), f. 193v. (8.1.1470); 1239, f. 127 (27.1.1470), f. 44v. (31.1.1470); 1801, f. 151 (10.7.1470); 1240, f. 221v. (30.1.1471), f. 107v. (23.3.1471), f. 248 (29.3.1471; 1.4.1471), f. 252 (4.4.1471), f. 360v. (26.4.1471); 1245, f. 207 (1.2.1476).
Regionaal Archief Tilburg, R. Oisterwijk 143, f. 6v. (28.10.1418), f. 22v. (8.4.1422); R. 145, f. 15v. (21.12.1423); 146, f. 36 (28.10.1429; 1.5.1430), los vel bij f. 31 (11.11.1429); 147, f. 8v. (6.2.1430), f. 24v. (1.5.1430); 148, f. 26v. (7.10.1433); 149, f. 42v. (7.2.1437); 161, f. 24 (10.9.1453), f.27 (7.11.1453), f. 27v. (23.11.1453).
Particuliere collectie Henk Broersma, Drachten: Gilzese schepenakte (16.10.1459).

Literatuur
Een overzicht van de geschiedenis van Tilburg van de achtste tot het midden van de vijftiende eeuw met literatuuropgave biedt Lauran Toorians (red.), 'Tilburg in de Middeleeuwen 709-1450', in: C. Gorisse (hoofdred.), Tilburg stad met een levend verleden (Tilburg 2001) 47-94.

Daneel Jans van Heyst

Zoals uit de vele bewaard gebleven transacties blijkt, heeft Daneel een lang en actief leven gehad. Over hem heb ik op 18 november 2010 voor de Heemkundekring "Tilborch" een lezing gehouden onder de titel 'Daneel van Heyst. Een vijftiende-eeuwse Tilburger en zijn omgeving'. Op de webpagina Daneel van Heyst vindt u een samenvatting.

Pas in een Bossche schepenakte van 13 maart 1461 wordt de naam van Daneels vrouw Heilwig vermeld (R. 1231, f. 89v.): Daniel dictus de Heyscht tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Heilwigis sue uxoris, filie Symonis dicti die Heerde, filii Hermanni, ab eodem Symone et quondam Elizabet sua dum vixit uxore pariter genite. Daneel deed overigens al in 1422 zaken met zijn (waarschijnlijk latere) schoonvader Simon die Heerde (R. Oisterwijk 143, f. 22v.). Deze was net als Daneel gegoed in de Stokhasselt in Tilburg.


Op deze plaats behandel ik ook de lotgevallen van Daneels broer Jan, die al in 1429 zou overlijden. Zoals bij de vorige generatie is vermeld, verkregen zij op 8 april 1422 gezamenlijk een erfelijke pacht (R. Oisterwijk 143, f. 22v.).

Op 30 januari 1423 verkregen de gebroeders afzonderlijk een aantal goederen in Tilburg, waarschijnlijk allemaal in de Stokhasselt. Op die datum gaf Reinier Krillart, zoon van wijlen Gerit Krillart in erfelijke pacht aan Jan:
–  een tuin van Goiart van Heyst ter plaatse geheten ter Lijnden;
–  de helft van een akker land en van een daaraan liggend stuk weiland, geheten die Lijndecker;
–  het derde deel plus 8 roeden van een streep akkerland, gelegen bij de draaiboom, geheten die Acker;
–  het derde deel van een stuk akkerland geheten die Heidrieschecker;
–  het derde deel van een stuk land geheten die Hogenbrem;
–  het derde deel van een akker land geheten die Pachtacker.
Behalve de lasten die er al uitgingen moest Jan twee mud rogge Bossche maar aan Reinier betalen. Reiniers broer Gerit Krillart, zoon van wijlen Gerit, deed afstand van zijn naastingsrecht. De pacht mocht worden afgekocht.

Hierna gaf Reinier Krillart aan Daneel van Heyst en aan Simon zoon van wijlen Herman des Heerden – mogelijk toen al zijn schoonvader – in erfelijke pacht:
–  een stuk land geheten dat Bosch, deels akker-, deels weiland;
–  het derde deel van de hierboven genoemde Heidrieschecker;
–  het derde deel van de genoemde Hogenbrem;
–  het derde deel van de Pachtacker;
–  het derde deel van de streep land minus 16 roeden bij de draaiboom, geheten die Acker;
voor de oude lasten en voor 1½ mud rogge aan Reinier. Ook hier deed Gerit Geritsz. Krillart afstand van zijn naastingsrecht. Ook deze pacht kon worden afgekocht.

Tot slot gaf op dezelfde datum Reinier Krillart aan zijn broer Gerit in erfelijke pacht:
–  een stukje akkerland in de landen geheten der Heistinghlant;
–  het derde deel en 8 roeden van een streep land ter plaatse geheten die Eckerijnde;
–  het derde deel van de genoemde Heidrieschecker;
–  het derde deel van die Hogenbrem;
–  de helft van van een akker land en daaraanliggend stuk weiland, geheten die Lijndacker;
eveneens voor de oude lasten en 1½ mud rogge Bossche maat en de mogelijkheid tot afkoop van de pacht. R. 1193, f. 301-302v.

De pacht van 2 mud rogge die Jan van Heyst moest betalen werd op 3 juni 1424 door Reinier Krillart aan hem overgedragen (R. 1194, f. 114v.). Op 27 januari 1425 gebeurde dit met de pacht van 1½ mud rogge die Daneel van Heyst en Simon Hermansz. die Heerde aan Reinier moesten betalen (R. 1194, f. 63) en op 6 juni 1426 met die van Reiniers broer Gerit (R. 1197, f. 110). Hun landerijen waren dus van deze pacht bevrijd.

In 1429 of kort daarvóór kwamen Jan van Heyst, zijn vrouw Liesbet Jan Weeldmans en wellicht ook hun kinderen te overlijden, mogelijk ten gevolge van de pest of een andere besmettelijke ziekte. Op 28 oktober van dat jaar verschenen de familieleden van Liesbet voor de Oisterwijkse schepenen en deden daar afstand van hun recht op een deel van de erfenis. Het ging daarbij om

allen recht ende gedeelte hen toebehorende inden erfenissen ende goede hier nae gescreven, gelegen in Westilborch; inden irsten in enen hof gelegen inden goede geheyten ter Lijnden tusschen die Stochasselt ende die Horevort al om ende om inder gemeynten; item in een stuc lands geheyten die Lijndacker met synre toebehorten aen die Lijnde, gelegen inter hereditates Gherits Crillarts ab utraque parte, streckende vander erfenis Reyneer Crillarts totter ghemeynten toe aen die Lijnde; item een stuc lands geheyten die Streep inter hereditatem Danel Jans soen van Heyst ab utraque parte et eciam cum uno fine aen Danel vorscreven, cum alio fine ad communitatem; item in een stuc lants geheyten den Hoghen Brem inter Danel vorscreven ab uno et inter Meeus Wickenvoert ab alio; item in een stuc lants geheyten den Heydriesch inter Daneel vorscreven ab utraque parte; item hennen gedeelten in die husinge daer quondam Jan van Heyst Jans soen ende Lysbet Jan Weeldmans dochter, sijn wijf, in bestorven sijn, ende gelyc als dese erfenissen ende husinge vorscreven hen toecomen ende verstorven syn van quondam Jan van Heyst Jans soen van Heyst, van Elisabetten sinen wive ende van horen kijnderen, als si seiden (R. Oisterwijk 146, f. 36).

We vinden hierin verschillende landerijen terug die Reinier Krillart destijds aan Jan in erfelijke pacht had gegeven.

Door deze overdracht werd het vermogen van Daneel aanzienlijk vermeerderd. In de komende jaren zien we hem regelmatig grond en inkomsten uit grond kopen en verkopen. De meeste grondstukken lagen rondom Ter Linden, waar hij woonde: in de Stokhasselt en aan de Horenvoert.

Op 11 november 1429 kocht Klaas Wouter roij Gerijs zoen van Daneel drie lopense land genaamd de Bergakker, gelegen in de Ronde Hasselt in Tilburg (R. Oisterwijk 146, f. 31) en op 6 februari 1430 deed Jan Goiartsz. van Heyst ten behoeve van Daneel afstand van een stuc lands houdende een half mudsaet lands of daerontrent, gelegen in Westilborch aen die Stochasselt inter hereditatem Meeus Wyckenvoert ab uno et inter Jan Start ab alio, cum uno fine ad communem plateam aen die Stochasselt et cum alio fine ad hereditatem Symon sHeerden (R. 147, f. 8v.).

Op 1 mei 1430 verkochten Peter Petersz. van Beurden en Daneel, mede voor zijn broer Jan als erfgenaam, aan Hendrik Petersz. Snijders hun recht op anderhalf mud rogge erfelijke pacht (R. Oisterwijk 147, f. 24v.).

Op 7 oktober 1433 kocht Daneel van Gielis Godschalksz. van den Tolberch, weduwnaar, en zijn kinderen verkregen bij Eefse Klaus Wouter Huben, een huis en tuin aan die Horenvoert (R. Oisterwijk 148, f. 26v.).

Op 7 februari 1437 verkocht hij een erfelijke pacht van en half mud rogge, dat Jan zoon van wijlen Pauwels gekocht had van Heilwig dochter van wijlen Herman Bacs, uit een huis en tuin optie Hoeven, aan Lambrechte geheyten die Groet, zoen quondam Wytman sGroten (R. Oisterwijk 149, f. 42v.).

Op 24 september 1440 verkochten Jan Peter Noudenz. en Jan Woutersz. van den Velde als Heilige-Geestmeesters (armmeesters) van Tilburg aan Daneel een akker geheten den Hecacker en een stukje daaraanliggende heide van ongeveer twee mudzaad in Tilburg aen die Horenvoert (R. 1210, f. 366). Het goed was belast met grondcijnzen en een erfelijke pacht van 1½ mud rogge, die Daneel voortaan zou betalen. Bovendien beloofde hij de armen van Tilburg vier jaar lang 2½ mud rogge Tilburgse maat op Maria Lichtmis en 100 peters vanaf Marie Lichtmis over drie jaar. Het was dus kennelijk niet zo dat hij dergelijke aankopen contant kon betalen. Of het moet zijn dat een dergelijke voldoening van de koopsom op verzoek van de Heilige-Geestmeesters is gedaan.

Op 7 januari 1441 erkenden Hendrik Peter Snijders en Daneel van Heyst van Hendrik Kroeck (doorgaans Croeck), zoon van Hendrik Wijnbroet, te hebben ontvangen 48 schapen ad ius stabilicionis, ‘te schattingsrecht’ een vorm van exploitatie, gedurende drie jaar vanaf Pinksteren naastkomend. Zij zouden deze kudde gedurende drie jaar op eigen kosten houden, waarbij de opbrengsten half voor Hendrik Snijders en half voor Hendrik Croeck zouden zijn en na afloop van de termijn de kudde half voor de een en half voor de ander. Hendrik Peters beloofde hierbij Daneel schadeloos te houden. Het aandeel van Daneel in deze transactie is niet duidelijk. Mogelijke heeft hij voor het houden van de schapen een geldbedrag ontvangen (R. 1211, f. 294v.).

Hendrik Croeck, zoon van Hendrik Wijnbroet, was vleeshouwer in ’s-Hertogenbosch en de weduwnaar van Korstien dochter van Hendrik Meusz. van Wickenvoirt en van Mechteld Jan Pauwelsz. van Heyst (R. 1220, f. 37-37v. (9.1.1450)). Hij was dus een aangetrouwd familielid van Daneel. Uit een belending blijkt dat hij in 1433 samen met Meus van Wickenvoirt bezit had in Tilburg aan die Horenvoert (R. Oisterwijk 148, f. 26v.: ad hereditatem Meeus Wijckenvoert ende Heyn Croeck).

De kredietbehoefte van Daneel blijkt bijvoorbeeld uit zijn schuldbelofte op 18 januari 1442 aan Gosen Gijsbertsz. van Beurden van 17¾ peters en 14 lopen rogge Tilburgse maat, binnen twee jaar te betalen (R. 1212, f. 235). Gosen transporteerde die schuld op 8 februari 1448 aan Jan Jansz. de Heerde (R. 1218, f. 328v.). Hieruit blijkt dat deze schuld na 1442 niet binnen twee jaar was ingelost.

Op 29 maart 1442 verkreeg Daneel van Aart Jansz. Leijten een pacht van een half mud rogge, welke pacht Peter Geritsz. van Beurden aan genoemde Jan Leijten had beloofd uit 3½ lopense en 6¾ roeden – dictis roden lants – gelegen aen die Horenvoert in den Vorstenacker en uit 1 lopense heiland aldaar, welke goederen Jan Leijten voor de Oisterwijkse schepenen aan Peter Geritsz. van Beurden in pacht had gegeven (R. 1212, f. 157v.).

Uit een Bossche schepenakte van 7 juni 1442 blijkt dat Daneel recht had in de Vrouwenbeempt in Dalem, gelegen in het westen van Tilburg bij de Donge (R. 1212, f. 178v.).

Op 19 januari 1443 droeg Michiel Klaas Wouters Roygeenkens soen (= Rode Geritsz.), zoon van Klaas en van Aleid Jan de Bont, hem over 6 lopen rogge uit een stuk grond geheten die Horenvoert en 4 lopen rogge uit een stuk grond met huis en schuur, geheten die Horenvoert. Hendrik Langdaneelsz. had die 6 en 4 lopen verkregen van Gijsbert Frank Laureins (R. 1213, f. 172v.). In 1468 blijkt die hoeve ter Horenvoert in het bezit te zijn van Daneel (zie hierna). Op 17 februari 1446 beloofde Daneel aan deze Michiel zoon van wijlen Klaas geheten Roy Gerits soen 9 arnoldusgulden op het eerstkomend feest van Philippus en Jacobus te betalen (= 1 mei) (R. 1216, f. 290v.). Hij deed dus zaken met hem en kreeg toen een kortlopend krediet. Michiel verkocht op 17 augustus 1444 een stuk grond in die Stochasselt aan Jan Peter Nouwen (R. 1214, f. 120v. nw.); hij zal dus een buurman van Daneel geweest zijn. Trouwens, een Aart Jansz. van Heyst naastte dit goed. Er is geen sprake van wijlen Jansz. Mogelijk ging het hierbij om een zoon van Jan van Heyst en Aartke Aart van den Bloc. Deze Jan zou echter vóór 3 oktober 1440 overleden moeten zijn (zie hierboven, generatie II, 1). Het kan ook gaan om Jan zoon van Katelijn van Heyst en Aart Aart Emmen (zie eveneens hierboven, generatie II, 5).

Op 6 juni 1443 verkocht Daneel aan Gijsbrecht Goiartsz. van den Broeck een pacht van een mud rogge Bossche maat uit die Lyndecker en een daaraanliggende weide, samen één mudzaat groot, ter plaatse geheten ter Lijnden tussen erf van de erfgenamen van wijlen Hendrik van Wickenvoert aan de ene zijde en erf van de genoemde erfgenamen en erf van Daneel aan de andere zijde, zich uitstrekkend van de openbare straat tot aan erf van Reinier Krillart (R. 1213, f. 221v.) . Een erfgename droeg die pacht op 29 maart 1471 over aan Jutte weduwe van Goiart Brugman en deze vervolgens op 1 april van hetzelfde jaar aan Hendrik Jansz. van den Eynde (R. 1240, f. 248). Zie ook hierna op 21 oktober 1480.

Eveneens in hetzelfde jaar 1443, op 19 september beloofde Daneel 30 Rijnsgulden aan Hendrik Lambertsz. Kloeten en samen met Hendrik Croeck vleeshouwer en Aart Aartsz. van Loet aan de Bossche lombard Matheus de Boudranis 24 Rijnsgulden. Bij deze laatste lening beloofde hij de anderen schadeloos te houden (R. 1213, f. 305v.).

Op 31 oktober van hetzelfde jaar 1443 verkocht hij een stuk land van 7 lopense minus 12 roeden in de Stokhasselt aan Jan de Heerde, zoon van wijlen Jan de Heerde (R. 1214, f. 227v.).

Gerit Hendrik Hermansz. verkocht op 14 november 1443 een pacht van een mud rogge Bossche maat aan Daneel, afkoopbaar met 40 peters (R. 1214, f. 134v. nw.).

Op 2 april 1444 verkocht Hendrik Snijder, zoon van wijlen Peter Snijder, een stuk beemd in Tilburg ter plaatse geheten Dalem aan Daneel (R. 1214, f. 180).

In een akte van 20 januari 1445 is sprake van een pacht van elf lopen die aan de Tafel van de Heilige Geest van ’s-Hertogenbosch betaald moest worden uit zekere erven in Tilburg die aan Daneel van Heyst toebehoorden en die Wouter Eghens als hoevenaar bewerkte (R. 1215, f. 34). Op 22 augustus 1468 werden die elf lopen betaald uit die hoeve ter Horenvoert van Daneel (R. 1237, f. 51). Danel van Heyst ende Art Buckens blijken in de rekening van de Heilige Geest van Den Bosch van 1453/54 maar liefst 7 mud 6 sester en 1 loop rogge te betalen (GAHt, H. Geest 406, rubriek In Tilborch).

Op 31 maart 1446 erkende Daneel van Jan Jansz. de Heerde 40 gouden peters te hebben ontvangen in mindering van 100 peters die hem door Jan beloofd waren (R. 1216, f. 341).

Op 1 juli van dat jaar deed hij afstand van zijn recht op een huis, erf tuin en aangelag in Tilburg in de Broekzijde tussen de akkers geheten die Lovensacker (R. 1216, f. 230-230v.). Aart Jansz. Pylokers beloofde hem waarschijnlijk hiervoor 10 peters en 4 lopen rogge (R. 1216, f. 322).

Op 13 augustus, nog steeds van hetzelfde jaar, droeg hij een mud rogge uit een weyde in Tilburg aen den Eertborn over aan Gijsbrecht Goiartsz. van den Broeck (R. 1216, f. 252).

Met elf anderen – voor een deel behorend tot de dorpselite - beloofde hij op 21 maart 1447 aan Jan van der Horst, rentmeester van de abdij Tongerlo, 97 gouden rijders en 15 stuivers te betalen. Er staan in totaal tien akten ten behoeve bij de abdij bij elkaar in het schepenprotocol (R. 1217, f. 443v.). In enkele akten moest rogge worden geleverd op de graanschuur van de abdij in Tilburg. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hierbij om verpachtingen van delen van de tienden die in het bezit van de abdij waren.

In 1448 blijkt Daneel in het hertogelijk cijnsboek onder Oisterwijk twee cijnzen te betalen, een van 2 nieuwe penningen voor Jan Jansz. van Heyst de jonge vanwege Jan van Heyst uit het goed Ter Linden en een van 21 nieuwe penningen voor Gerit Scilder vanwege Willem van Heyst (ARA Brussel, Rekenkamers 45073, f. 45).

In dit register worden ook in 1436 uitgegeven stukken van de Tilburgse gemeint, de gemeenschappelijke gronden, verantwoord. Het is opmerkelijk dat deze onder Oisterwijk verantwoord staan. Het Tilburgse cijnsboek – dus de oude cijns – was door de uitgifte in pandleen van het dorp door de hertog in 1387 in het bezit van Pauwels van Haastrecht en zijn rechtsopvolgers gekomen.

Een oorkonde daterend van 30 mei 1448 is interessant, omdat daarin wordt vermeld dat Daneel verwekt was door wijlen Jan van Heyst en wijlen Mechteld dochter van wijlen Daneel geheten langhe Daneel. In deze oorkonde droeg hij de helft in een pacht van een mud rogge Bossche maat over aan Jan Jansz. de Heerde. Zijn moeder zal  vermeld zijn omdat die pacht uit haar erfgoed afkomstig was. Mechtelds broer Hendrik lang Daneelsz. had deze pacht gekocht van Jan van de Kamp. Hij werd betaald uit het derde deel van een hoeve van wijlen Hendrik van de Woude in Tilburg bij die Penningberch. Die hoeve was verdeeld in drie parten (R. 1218, f. 125v.).

Op 9 juli 1448 beloofden Marten Geritsz. Leijten, Daneel Jansz. van Heyst en Hendrik Croeck vleeshouwer aan de Bossche lombard Matheus van Boudranis 12 overlandse rijnsgulden, op aanmaning te betalen (R. 1218, f. 395) en op 18 juni 1450 beloofden Daneel en Hendrik aan deze Bossche lombard de som van 34 gouden peters, eveneens te betalen op aanmaning (R. 1221, f. 321v.). Daneel deed dus nog steeds zaken met deze Bossche slager, zijn aangetrouwd familielid. Marten Gerits Leijten had op 13 januari 1442 een huis, erf tuin en een aantal stukken grond aan de Hoerenvoert aan Daneel verkocht (R. 1212, f. 113v.-114). Uit belendingen blijkt dat hij een buurman was. Op 29 mei 1469 transporteerde Marten een huis, erf tuin en grond ter plaatse geheten die Ruybraken aen die Horenvoert aan Simon Egbertsz. Scheenken. Op die datum droeg hij aan Simon ook verschillende schepenbeloften betreffende waarborging over (R. 1238, f. 241-241v.).

Op 11 maart 1450 droeg Daneel negen lopen rogge uit verschillende goederen in Tilburg, welke negen lopen rogge Daneel had gekocht van Peter Aart Appel Stelaerts, en ook nog een stuk grond van acht lopense in de Stokhasselt als huwelijksgave over aan Andries Jan van Beurden,  getrouwd met Daneels dochter Liesbet (R 1220, f. 204-204v.).

Op 18 juni 1450 hadden Daneel en zijn familielid Hendrik Croeck weer geld nodig, 24 peters, die zij leenden van de Bossche lombard Matheus de Boudranis, te betalen op aanmaning, dus kennelijk voor een korte termijn (R. 1221, f. 321v.).

Samen met Jan Peters Peyman beloofde hij op 22 januari 1452 aan Herman van Boxtel 52 gulden, te betalen op het octaaf van Pasen (R. 1222, f. 263). Eerstgenoemde beloofde  om Daneel schadeloos te houden; hij zal dus het meeste belang bij de overeenkomst hebben gehad.

In 1452 blijkt Daneel een huis, erf, tuin en daaraan liggende erven te bezitten aen die Lijnde, samen ongeveer twee mudzaad groot, tussen erf van Hendrik Croeck en Meus van Wickenvoert aan beide zijden. Hij betaalde daaruit een pacht van een mud rogge Bossche maat aan kinderen van wijlen Marselis Scillinc. Op 14 maart van dat jaar droegen deze de pacht over aan Evert Aartsz. van Coudenberch (R. 1222, f. 43). Wanneer deze pacht gevestigd is, heb ik niet kunnen achterhalen. In 1470 blijkt deze in het bezit te zijn van Hendrik Jansz. van den Eynde, die op 8 januari van dat jaar tot betaling maande wegens een betalingsachterstand van drie jaar (R. 1239, f. 193v.). Op 10 juli 1470 werd hem het goed gerechtelijk toegewezen. Bij die toewijzing werd overigens vermeld dat de pacht van één mud rogge door Marcelis Marcelisz. Scillinc op 20 maart 1458 van Daneel was gekocht. Mogelijk gaat het hier om een onjuiste opgave. Hendrik transporteerde het goed vervolgens op 10 juli 1470 aan Klaas Petersz. Aelwijns, die de pacht op zijn beurt weer verkocht aan Hendrik van den Eynde (R. 1801, f. 151). Blijkens de gegevens uit 1470 strekte ook dit goed zich uit van erf van de kinderen van Reinier Krillart tot aan de openbare straat. Zie over deze pacht verder op 21 oktober 1480.

Op 27 juli 1452 kocht Daneel een pacht van een half mud rogge Tilburgse maat van Jan Goiarts die Vette uit de volgende goederen:
– huis, erf en tuin met hun toebehoren in Tilburg ter plaatse geheten die Horenvoert tussen erf van Daneel van Heyst aan beide zijden en één eind;
den Rondenecker en daaraan liggend land aldaar tussen erf van Meus de Wit en erf van Marten en Aart Leyten;
– een stukje land geheten ’t Hoefken aldaar, gelegen tusen de openbare straat en erf van Meus de Wit;
– een stuk land, deels zaai- en deels weiland, van 13 lopenzaad aldaar tussen erf van Daneel van Heyst aan de ene en erf van Jan Geritsz. de Bont en erf van Jan Bey aan de andere zijde;
– een stuk land van ongeveer 9 lopenzaad tussen het zojuist genoemde stuk land en de openbare straat aldaar;
– een stuk heideland tussen erf van Jan Bey en de gemeint aldaar;
en verder uit alle goederen van Goiart Jan Goiartsz. de Vet. Deze had die goederen en van zijn vader verkregen. Daneel kreeg een vidimus van de akte (R. 1222, f. 81v.).
Op 7 februari 1454 droeg Daneel onder meer deze pacht over aan de Tafel van de Heilige Geest, de armenzorg, van Tilburg (R. 1224, f. 36v.).

Op 1 september 1452 beloofden Jan Jansz. Cleynen, Daneel Jansz. van Heyst, Jacob Aartsz. van der Hoeven en Willem Melis Willemsz. te betalen aan vrouwe Margriet weduwe van heer Jan van Berlaar, heer van Helmond en Keerbergen, en aan Liesbet weduwe van Jan Back voor een termijn van drie jaar de som van 35 mud rogge Bossche maat per jaar, te leveren op de molen in Tilburg, vanwege de huur van die molen. Daarnaast beloofde Jan Cleynen aan Margriet 17½ mud rogge Bossche maat, op Sint-Remeis naastkomend op de molen te leveren (R. 1222, f. 120v.). Dat laatste is niet goed gegaan, want op 25 mei 1453 beloofden Daneel, Willem en Aart Jacobsz. van der Hoeven aan vrouwe Margriet, weduwe van Jan van Berlaar, heer van Helmond en Keerbergen, 10 gouden peters op Sint-Jan naastkomend en 8 van deze peters op Sint-Bartholomeus apostel naastkomend. Vervolgens transporteerde Margriet 17½ mud rogge Bossche maat, haar beloofd door Jan Jansz. Cleynen, aan Daneel. Daarna droeg Hendrik Vogel het vonnis en de toeëigening van die 17½ mud, die hij had verkregen op Jan Jansz. Cleynen, over aan Daneel (R. 1223, f. 218). Mogelijk kon Daneel hierna proberen deze schuld te innen. Ik weet niet of de verhoudingen met de verpachtsters hiermee verstoord zijn geraakt. In ieder geval is mij niet van een nieuwe verpachting van de molen na de overeengekomen termijn gebleken.

Op 14 oktober 1452 droeg Meus van Wickenvoert, zoon van wijlen Hendrik van Wickenvoert de helft die hem erfelijk toebehoorde in de hoeve tGuet ter Lijnden en het vruchtgebruik in de andere helft over aan de Bossche stadssecretaris Lambrecht Korstiaansz. van Doerne, ten behoeve van Willem van Oisterwijk (R. 1223, f. 4v.). Het is duidelijk dat het hierbij slechts om een deel van de oude hoeve ging (zie hierover mijn artikel).

Op 2 maart 1453 beloofde Daneel 55 postulaatsgulden, half te betalen met Kerstmis en half op Sint-Filips en Jacobus naastkomend, aan Klaas Jansz. die Welph (R. 1223, f. 133).

Daneels zoon Jan beloofde op 30 mei 1453 aan Jan Reiniersz. van Broekhoven de jonge 11 gouden peter op Maria Lichtmis naastkomend. In hetzelfde jaar is deze Jan getrouwd met Heilwig dochter van Gerit Krillart. Op 10 september 1453 beloofde hij aan
Jannen den outsten zoen Reyners geheyten van Broechoven Reyners zoen quondam, dat dese selve Jan Daneels soen den voirscreven Janne Reyners soen den outsten erfeliken vesten ende guede voirwaerde doen sal of doen doen binnen eene maent naest toecomende van enen mudde rogs erfpachts van alsulken anderhalven mudde rogs erfpachts als hem Gherijt geheyten Crillart met Heylwigen syne dochter, des voirscreven Jan Danels wive, in hylicscher voirwaerde geloeft hadde jaerlics ende erfelic te gheven ende te betalen uut sinen gueden, ut dicebat, ende dat Jan Danels soen voirscreven den voirgenoemden Janne Reyneers soen den outsten vanden voirscreven mudde rogs erfpachts alsoe veel voirwaerden sal doen of Gheryt Crillaert sinen sweer sal doen doen dat den selven Janne Reyners soen dat euwelic zeker ende vast sal syn ende sinen nacomelingen. Ende kent voertaen dat hem Jan Reyners zoen voirscreven betalinge hier af gedaen heeft tot xiiii peteren van xl peteren dair hi dit voirscreven mud rogs erfpachts jegen hem om gecoft heeft. Atque (?) voirwaerden toe gedaen dat Jan Reyners soen voirscreven dit mud rogs voirscreven heffen ende beuren sal nu tot onder Vrouwen dach Lichtmis naest toecomende (R. Oisterwijk 161, f. 24; zie ook R. 161, f. 27).

Op 23 november 1453 verkocht Daneel aan Andries Jansz. van Beurden, sinen swager – dit wil hier zeggen zijn schoonzoon, gehuwd met zijn dochter Liesbet – 10 lopen rogge erfelijke pacht uit een stuk land geheten den Boschacker, ½ mudzaad groot, gelegen ter stede geheyten in tgoet ter Lijnden (R. Oisterwijk 161, f. 27v.).

Op 24 november 1453 verkocht hij een pacht van één mud rogge Bossche maat uit grondstukken in Tilburg in die Schyve, die hij van Gerit Hendrik Hermansz. verkregen had aan Aart Jansz. Boom (Boem) (R. 1224, f. 15).  Op 19 juni 1455 transporteerde Aart deze pacht aan Melis Dirk Jansz. met Aarts dochter Adriaantje als huwelijksgift (R. 1225, f. 83).

Met Frank Wouter Bacx, Andries Geritsz. de Bruin (die Bruyn) en Aart van Leut beloofde Daneel op 13 december 1453 aan de Lombard Matheus de Boudranis 42 Rijnsgulden op aanmaning (R. 1224, f. 324v.).

Op 29 december 1453 verkocht Daneel weer een pacht, en wel aan Liesbet Dirksdr. van Bennendungen, uit een van zijn huizen, ditmaal uit huis, erf, tuin en aanliggende erven, ongeveer 3 mudzaad groot, deels akker- en deels weiland, gelegen aen die Heysijde tussen erf van Willem van Oisterwijk aan beide zijden, strekkend van de openbare straat tot erf van Gerit Krillart, welk complex tGuet ter Lijnden werd genoemd (R. 1224, f. 22v.). Opmerkelijk is dat dit goed nu, anders dan in de oudere akten, in de Heysijde (de Heikant) werd gesitueerd. Op 4 april 1471 transporteerde Liesbet deze pacht aan Hendrik Jansz. van den Eynde (R. 1240, f. 252). Zie hierna ook op 21 oktober 1480.

Op 7 februari 1454 droeg hij aan de Heilige Geest van Tilburg, de armenkas, de op 29 maart 1442 en 27 juli 1452 verkregen pachten over (R. 1224, f. 36-36v.).

Op 21 februari 1454 beloofde Daneel met als onderpand al zijn goederen aan Marten Gerit Hermansz. (= Marten Leyten) 10 gouden peters op Sint-Jan over een jaar (R. 1224, f. 106v.). Marten droeg die schuldbelofte op 27 februari 1455 over aan Jan van Loon van Druten (R. 1225, f. 370).

Daneels zoon Jan beloofde hem op 30 maart 1454 19 peters vanaf Maria Lichtmis naastkomend over twee jaar (R. 1224, f. 109v.).

In de rekening van de laagschout van ’s-Hertogenbosch van Kerstmis 1454 tot Sint-Jan (24 juni) 1455 staat een Danel van Heyst onder de nieuwe poorters van de stad. Omdat ik de naam Daneel van Heyst alleen in Tilburg ben tegengekomen, neem ik aan dat het om mijn voorvader gaat. Zoals bekend hadden steden vaak zogeheten buitenpoorters, die wel het burgerrecht genoten maar niet in de stad woonachtig waren. Toch is het niet ondenkbaar dat Daneel ook in ’s-Hertogenbosch is gaan wonen. Zoals uit de bewaard gebleven gegevens van na ongeveer 1455 blijkt, is het de vraag of hij als bejaarde – hij zal minstens 65 geweest zijn – vanaf die periode nog een actief boerenleven geleid heeft.

Op 14 augustus 1455 verkocht Daneel aan Jan Jansz. de Heerde een erfelijke pacht van een half mud rogge Tilburgse maat uit huis, erf en tuin en daaraan liggende erven, omgeveer anderhalf mudzaad groot, gewoonlijk die Lijndecker geheten, gelegen tussen erf van Broos Jansz. van der Stegen aan beide zijden, strekkende van het erf van Gerit Krillart tot aan de gemeint (R. 1225, f. 102). Er stond dus toen een huis op het perceel De Lindakker, die al vermeld werd in 1423 (R. 1193, f. 301-302v. nw.). Op 4 oktober 1455 werd deze pacht genaast door Jan zoon van Jan Jansz. de Heerde, die de pacht ook werkelijk verkreeg (R. 1226, f. 2v.). Op 26 april 1471, dus op het eind van Daneels lange leven, transporteerde laatstgenoemde Jan de Heerde deze pacht aan Daneels zoon Herman van Heyst (R. 1240, f. 360v.).

Op 16 oktober 1455 gaf Daneel een huis, erf, tuin en daaraan liggende erven ter plaatse geheten Ter Lijnden voor 3 mud rogge per jaar in erfelijke pacht aan zijn zoon Herman (R. 1226, f. 207). Op 20 mei 1456 droeg Daneel de helft van de pacht over aan Andries Jansz. van Beurden (R. 1226, f. 108v.) en de andere helft op 16 september van hetzelfde jaar aan Daneels zoon Pauwels (R. 1226, f. 163v.) Zie voor de nadere details de volgende generatie.

Zonder meer interessant is de akte van 5 februari 1456, waarin Daneel een erfelijke cijns van een cijnhoen, te betalen op Sint-Thomasdag door Thomas Matheus Klaasz. uit een huis, erf en plaats bij de ‘plaats’ (de Heuvel), overdroeg aan genoemde Thomas (R. 1226, f. 61). Helaas heb ik geen nadere bijzonderheden over de betaling van dit hoen kunnen achterhalen.

Op dezelfde dag transporteerde Daneels zoon Jan aan Thomas een stuk grond van ongeveer 7½ lopenzaad aan die Hoerenvoert tussen erf van Jan en erf van Peter Geritsz. van Beurden, welk stuk grond Jan van Marten Gerit Hermansz. (Leyten) had verkregen, over aan zijn vader (R. 1226, f. 451). Mogelijk gaat het hierbij om het grondstuk van 7½ lopenzaad en 5 roeden, waarvan sprake is in een akte van 29 september 1469 (zie hierna op die datum).

Ook nog op dezelfde dag 5 februari 1456 beloofde Jan Daneelsz. van Heyst aan Jan Reiniersz. van Broekhoven de oude de som van 7 gouden peters en 3½ lopen rogge, te betalen op Maria Lichtmis naastkomend (R. 1226, f. 452v.).

Op 3 maart 1456 verkocht Daneel aan Jan Jansz. de Wolf een erfelijke pacht van een mud rogge Tilburgse maat op Maria Lichtmis uit huis, erf, tuin en aanliggende erven, ongeveer twee mudzaad groot, genoemd tGuet ter Lijnden, gelegen in Tilburg tussen erven van Willem van Oisterwijk aan beide zijden, strekkende van de openbare straat tot aan erf van Gerit Krillart (R. 1226, f. 479v.).
Op 31 januari 1470 werd Daneel door Jan Jansz. de Wolf aangemaand tot betaling van deze pacht wegens een betalingsachterstand van drie jaar (R. 1239, f. 44v.).

Ondanks enkele overeenkomsten gaat het waarschijnlijk om een ander huis in een akte van 4 december 1456. Toen verkocht Daneel aan Hendrik Jansz. van den Eynde een erfelijke pacht van een half mud rogge Bossche maat uit een huis, erf tuin en daaraan liggende erven, samen ongeveer twee mudzaad omvattend, gelegen in Tilburg aen die Lijnde tussen erf van Willem van Oisterwijk aan beide zijden, strekkend van erf van de kinderen van wijlen Reinier Krillart (!) tot aan de openbare straat (R. 1227, f. 330v.). Mogelijk komen we dit complex tegen in een akte van 21 oktober 1480 (R. 1250, f. 194v.). Zie op die datum.

Op 25 mei 1457 beloofden Daneel, Jan natuurlijke zoon van wijlen Gerit Buck de jonge en Aart van Luet aan Aart Berwout 25½ overlandse Rijnsgulden op aanmaning te betalen (R. 1227, f. 248).

Op 24 juni 1457 verkocht Daneel aan Liesbet Dirksdr. van Bennendungen een erfelijke pacht van een mud rogge Bossche maat uit een stuk beemd van ongeveer één bunder inden Brant tussen erf van Matheus Thomas Woutgheer en erf van Gijsbert Geritsz., strekkend van de dijk aldaar tot erf van de kinderen van Jan de Wever (al verkregen door Daneels moeder ten behoeve van haar kinderen; zie hierboven op 30 januari 1418); uit een stukje beemd van ongeveer 3 lopenzaad in Qualenwiel tussen erf van Jan de Wever en erf van Willem van Oisterwijk, strekkend van erf van Jan Wijten tot aan de wiel (ad gurgitem); en een stuk beemd geheten die Weyde tussen erf van Willem van Oisterwijk en het water aldaar stromend tot aan de gemeint aan alle andere kanten (R. 1227, f. 436).
Al op 30 januari 1464 maande Liesbet Daneel wegens drie jaar achterstallige pacht (R. 1234, f. 197v.) en op 4 april 1471 transporteerde zij de pacht met de achterstallige betalingen aan Hendrik Jansz. van den Eynde (R. 1240, f. 252). Zie ook op 21 oktober 1480.

Op 20 augustus 1457 transporteerde Daneel een erfelijke pacht van één mud rogge, die hij van Marten Gerit Hermansz. Leyten had verkregen uit een huis en tuin met ondergrond en toebehoren en daaraan liggende erven tussen erf van Gosen van Beurden en Jutte Meusdr. de Wit aan de ene en tussen erf van Aart Leyten en Daneel aan de andere zijde, aan Broos Jansz. van der Stegen (R. 1227, f. 457). De pacht was gevestigd voor de schepenbank van Tilburg en Goirle, die enkele jaren tevoren, in 1453, was opgericht. Op 13 juni 1467 verkocht Broos deze cijns met de achterstallige betalingen aan Simon Engbertsz. Scheenken (R. 1236, f. 98v.).

Op 29 oktober 1457 droeg Aart Berwout een erfelijke pacht van anderhalf mud rogge Tilburgse maat uit een erf van ongeveer 8 bunder, geheten ’t Fenne, gelegen achter de Heuvel, over aan Daneel. Aart had die pacht verkregen van Reinier van Broekhoven van Tilburg.
Het Ven is het tegenwoordige Piusplein en was in oorsprong een laaggelegen gebied achter de Heuvel. Acht bunder was een flinke oppervlakte.
Op dezelfde datum, 29 oktober 1457, verkocht Daneel echter een erfelijke pacht van eveneens anderhalf mud rogge aan Aart uit het welbekende huis, erf en tuin en daaraan liggende erven, ongeveer 2½ mudzaad groot, geheten tGuet ter Lijnden, enzovoorts (R. 1228, f. 253v.).
Eveneens op dezelfde datum beloofde Daneel aan Aart Berwout 30 gouden peters vanaf Maria Lichtmis over drie jaar en gedurende vier jaar een pacht van zes zester rogge Bossche maat (R. 1228, f. 333).
Op 5 december 1460 droeg Daneel de eerstgenoemd erfelijke pacht over aan Aart van Luet voor een derde deel en aan Gerit Peter Feytmans voor tweederde (R. 1231, f. 26v.).

Op 24 december 1457 droeg Daneel aan Gosen Gijsbertsz. van Beurden een stuk akkerland geheten die Drie Lopensaet, ongeveer 5½ (!) lopenzaad groot, aen den Hoerenvoirt tussen erf van Jan de Vet en erf van Gosen. Daneel had dit stuk grond van Gosen verkregen (R. 1228, f. 114).

Op 16 februari 1458 droeg Daneel drie stukken grond over aan Gijsbert Jansz. van Klootwijk (Cloetwijc) met Daneels dochter Mechteld als huwelijksgift.  Het ging hierbij om een stuk land van 4 lopenzaad en 6 roeden aent Hangende Rijs tussen erf van Hendrik Polslouwer aan beide zijden en één einde, strekkend met het ander einde aan de openbare straat. Verder ongeveer een halve bunder beemd in Dalem tussen erf van Aart Hendrik kort Daneelsz. en erf van Willem Stelarts, strekkend van erf van de kinderen van Jan Nouden tot erf geheten sBonten Heynynghe; en tot slot een stuk beemd geheten den Bunt tussen erf van de kinderen van wijlen Jan Zegers en erf van Jan Jansz. sHeirde, strekkende van de Donge tot de gemeint van Tilburg. Gijsbert van Klootwijk verkocht op dezelfde datum aan Snellard Willem Snellards een pacht van een half mud rogge uit het eerstgenoemde stuk land (R. 1228, f. 279). En op 11 oktober 1458 verkocht hij het stuk grond De Bunt aan Ide weduwe van Reinier Krillart en haar kinderen (R. 1230, f. 140).

In december 2015 kreeg ik een mailtje van de heer Henk Broersma uit Drachten met de foto van een akte uit zijn particuliere handschriftencollectie, waarin sprake was van Daneel Jans sone van Heyst. Het bleek te gaan om een Gilzese schepenakte van 16 oktober 1459, nogal beschadigd, maar voldoende leesbaar om vast te stellen dat Daneel aan Jan Jacob Woutersz. een sester rogge erfpacht beloofde, Bredase maat en in Breda te leveren, uit twee bunder beemd in Gilze. Uit de erfdeling van de goederen van Daneels kleinzoon Cornelis Hermans van 20 januari 1530 blijkt dat er zich drie buender beempts, gelegen in die Ghylse vuecht, in de boedel bevonden (RAT, R. Tilburg 277, f. 6-9).
Gilzese schepenakte van 16 oktober 1459
Gilzese schepenakte van 16 oktober 1459, waarin Daneel Jans sone van Heyst aan Jan Jacop Wouter sone een sester rogge erfpacht per jaar, Bredase maat, belooft uit twee bunder beemd in Gilze. De heer Henk Broersma uit Drachten stuurde mij een foto van deze akte toe, die zich in zijn particuliere collectie bevindt. De (waar mogelijk in cursief aangevulde) tekst luidt:
Wij Mathijs vander Byestr(aten ende) Jan Peter Belgiaerts sone, scepenen in Ghilze, m(aken cond) dat voir (ons is verschen)en Daneel Jans sone van Heyst, ende lide dat hij vercocht heeft om een somme v(an gelde) die hem (vol ende al) betailt is Jan Jacop Wouters sone een sester roghs tsiaers erfpachts goet (ende cust)baer ge(lde?, te lev)eren erflijc ende alle jair bynnen Breda ende metter maten van Breda op (onser Vro)uwen dach (lichtmisse… van ende uut) een stuck beemden, houdende twee buynder, luttel min of meer, gelegen in die … soens … was neven des voirscreven Daneels ende meer ander bueren? …aerts wileneer te wesen plach op deen zijde ende Wij… …e op dander zijde, te vryen ende te waren desen onderpant voirscreven ten erfpachts recht … chijnse, in welken erfpacht voirscreven die voirgenoempde Jan Jacop Wouters … is, ende … (heeft) vercregen met vonnis ende met recht, soe dat hij hem seker is ende vast, met vorwairden dat … hier af schuldich sal zijn te geven ende te doen alle schote, bede ende gebuerlike rechten, gelijc ander (onse) gebueren inder vierscharen van Ghilze. Ende … in orconden desen brieve met onsen segelen bes(egelt) inden jair ons Heren duysent vyerhondert negen ende vijftich, sesthien daghe in october.


Op 13 maart 1461 droeg Daneel als man van Heilwig  dochter van Simon Hermansz. de Heerde en van Liesbet alle goederen  die Heilwig van haar moeder geërfd had over aan Simon (R. 1231, f. 89v.). Het is voor zover ik heb kunnen nagaan het enige document waarin de naam van Daneels vrouw vermeld wordt.

Op 14 maart 1461 werd Adriaan Berthouts, priester, geëigend aan een akker land geheten die Groet acker, gelegen in die Schyve, en een stuk land aldaar wegens achterstallige betaling van een erfelijke pacht van een mud rogge die Daneel van Gerit Hendrik Hermans had gekocht (!). Deze percelen werden hierna aan Adriaan overgedragen overgedragen. Daneel had die stukken grond op 14 november 1443 door naasting verkregen (R.1214, f. 134v. nw.) van Gerit Hendrik Hermans. Het is mij niet duidelijk geworden hoe de pacht aan Adriaan Berthouts is gekomen.

Op 4 september 1461 beloofden Daneel en Aart van Loet (ook Luet) aan Goiart Gerits Dicbier 8 mud rogge Bossche maat, te betalen op Maria Lichtmis naastkomend (R. 1231, f. 153). Daneel was al eerder samen met Aart opgetreden op 14 december 1440, 19 september 1443, 21 maart 1447, 25 mei 1457 en 5 december 1460. Aart van Loet was op 13 januari 1442 Heilige-Geestmeester van Tilburg (R. 1212, f. 234).

Samen met zijn zoon Jan verkocht Daneel op 24 november 1461 aan Aart Berwout een erfelijke cijns van 6 pond uit een huis, erf, tuin en daaraan liggende erven aan die Hoerenvoirt tussen erf van Goiart de Vet en de openbare straat, strekkend van erf van Jan Peter Beyen tot de openbare straat; uit een stuk land, deels akker- en deels weiland, gelegen aldaar tussen erf van Aart Jan Leyten en de openbare straat, strekkend van het erf van Peter Geritsz. van Beurden tot de openbare straat; en uit een stuk zaailand aldaar tussen erf van Jan Peter Beyen en Peter Geritsz. van Beurden, strekkend van erf van Peter Jan Wouter Bacxz. tot erf van Goiart Jan de Vet (R. 1232, f. 13v.).

Op 30 januari 1464 maande Liesbet Dirksdr. van Bennendungen wegens achterstallen van twee pachten van elk een mud rogge Bossche maat, aan Liesbet verkocht door Daneel Jansz. van Heyst (R. 1234, f. 197v.). Zie voor de vestiging hiervan op 29 december 1453 en 24 juni 1457. Kennelijk was Daneel in minder goede financiële omstandigheden of was hij gewoon nalatig. Zou zijn hoge leeftijd hem op een of andere manier parten zijn gaan spelen?

Op 29 september 1469 droeg Marten Geritsz. Leyten over aan Simon zoon van wijlen Engbert Scheenken:
–    een huis, erf, tuin en daaraan liggende erven, ongeveer 60 lopenzaad groot, gelegen in die Ruybraken aen die Horenvoert, tussen erf van Gosen Gijsbertsz. van Beurden, Wouter Geritsz. Beyen en anderen aan de ene zijde en erf van Aart Leiden en Peter van Beurden en Daneel van Heyst aan de andere zijde, strekkend van de gemeint geheten die Ruybraken tot erf van Aart Leyten;
–    een stuk land, deels weide deels hei, geheten tVenne, ongeveer 12 lopenzaad groot, aen die Horenvoert tussen erf van Jan Oerleman alias Byekens aan de ene zijde en de gemeint van Tilburg aan de andere zijde en één einde, strekkend met het andere eind aan erf van Jan Petersz. Beyen. Marten had deze en andere goederen van de Heilige Geest van Tilburg, met toestemming van de bisschop van Luik, in pacht gekregen. Ook Martens andere goederen, die hij had en die hij nog zou verkrijgen, droeg hij aldus over. Hieruit werden betaald:
–    de grondcijns;
–    een pacht van anderhalf  mud rogge aan Gerit van den Broek;
–    2½ mud rogge aan genoemde Simon
–    4 lopen rogge aan het Maria-altaar van Drunen;
–    1 loop rogge aan het Maria-altaar  in Tilburg.
In een tweede akte van dezelfde datum wordt onder meer vermeld dat Marten een huis, erf, tuin en een aantal stukken land aan Daneel had verkocht. Dit had plaatsgehad op 13 januari 1442 (zie aldaar). Uit dit complex gingen de grondcijns en een erfelijke pacht van 2 mud en één loop rogge aan de Heilige Geest van Tilburg die Daneel van Heyst voortaan zou betalen.
Op de zojuist genoemde datum 29 september 1469 transporteerde Marten de met bovenstaande en andere transacties verbonden schuldbeloften aan Simon Engbert Scheenken (R. 1238, f. 241-241v.). Deze laatste droeg op 12 september 1470 de pacht van 2½ mud rogge uit het huis en stuk land aan de Horenvoort over aan de Heilige Geest van ’s-Hertogenbosch (R. 1239, f. 352v.-353).

Hierboven (onder 14 maart 1452) is al melding gemaakt van de aanmaning wegens achterstallige betaling op 8 januari 1470 (R. 1239, f. 193v.). Dit zou hierna nog een aantal keren gebeuren:
Op 31 januari 1470 maanden aldus Jan Jansz. Wolf en Liesbet Dirksdr. van Bennendungen (zie op 3 maart 1456) wegens pachten van een mud rogge (R. 1239, f. 44v.).
Op 30 januari 1471 maande Hendrik Jansz. van den Eynde wegens achterstallige betaling van één mud rogge (R. 1240, f. 221v.).
Zeker is dat aan het actieve leven van Daneel voorgoed een einde was gekomen. Hij zou nog maar enkele jaren leven.

Op 27 januari 1470 beloofde Gijsbrecht Templeer aan Jan Heysten 34 Rijnsgulden, te betalen op zondag Letare, dit wil zeggen 1 april (R. 1239, f. 127). Het ging dus om een kortetermijnlening.

In de eerste helft van hetzelfde jaar 1470 werd Hendrik Jansz. van den Eynde geëigend aan het huis, erf, tuin en daaraan liggende erven van ongeveer 2 mudzaad, aen die Lijnde, wegens de pacht die Marcelis Marcelisz. Schillinck van Daneel had verkregen (zie 14 maart 1452). Op 7 juli 1470 werd dit goed getransporteerd aan Hendrik (R. 1801, f. 151).

Wellicht was er begin jaren zeventig van de vijftiende eeuw sprake van een moeilijk economische situatie. Aart Berwout diende op 23 maart 1471 een aanklacht in bij schepenen van ’s-Hertogenbosch inzake verkopingen, vervreemdingen en verplichtingen aangegaan met goederen van Emond de Rover, zijn vrouw Dirkske, Hadewig van Beerze, Daneel van Heyst en Gerit van Houthem. Tevens maande Aart toen wegens achterstallige betaling van zijn cijnzen, inkomsten (redditus) en pachten in de Meierij van ’s-Hertogenbosch (R. 1240, f. 107v.).

Opmerkelijk is dat een aantal pachten die Daneel verschuldigd was ‘verzameld’ zijn door Hendrik Jansz. van den Eynde. Op 21 oktober 1480 transporteerde hij aan Hillegond weduwe van Andries Willem Huibenz. en haar kinderen:
–    een erfelijke pacht van één mud rogge Bossche maat uit die Lijndeacker en een daarnaast liggend weiland, één mudzaad groot, gelegen tussen erf van de erfgenamen van Hendrik van Wickenvoert en tussen erf van de genoemde erfgenamen en ‘overig’ erf (!) van Daneel Jansz. van Heyst. Hendrik had die pacht verkregen van Jutte weduwe van Goiart Brugman (de verkrijging had plaatsgehad op 1 april 1471; R. 1240, f. 248; de vestiging van de pacht op 6 juni 1443; R. 1213, f. 221v.; strekte zich van de straat uit tot erf van Reinier Krillart);
–    een erfelijke pacht van één mud rogge Bossche maat uit huis, erf, tuin en aanliggende erven, ongeveer 2 mudzaad groot, ter plaatse geheten die Lijnde, tussen erf van Hendrik Kroecke en Meus van Wickenvoert aan beide zijden, welke pacht Hendrik van den Eynde van Klaas Peter Aelwijns had verkregen (dit laatste was gebeurd bij schepenvonnis en transport op 10 juli 1470; R. 1801, f. 151; ook dit complex strekte zich uit tot erf van Reinier Krillart; oudere akten: 8 januari 1470 (R. 1239, f. 193v.) en 14 maart 1452 (R. 1222, f. 43);
–    een erfelijke pacht van één  mud rogge Bossche maat uit een beemd van ongeveer één bunder inden Brant, een stukje beemd van ongeveer 3 lopense in Qualenwyel en een stuk beemd die Weyde, welke pacht Hendrik van Liesbet Dirksdr. van Bennendungen had verkregen (van Daneel Jansz. van Heyst op 24 juni 1457; R. 1227, f. 436; zie ook 30 januari 1464; R. 1234, f. 197v.;  en 4 april 1471; R. 1240, f. 252);
–    een erfelijke pacht van één mud rogge Bossche maat uit huis, erf, tuin en aanliggende erven, ongeveer drie mudzaad land, deels zaailand deels weiland, omvattend, ter plaatse geheten die Heysijde tussen Willem van Oisterwijk aan beide zijden. Hendrik had deze pacht van Liesbet Dirksdr. van Bennendungen verkregen (van Daneel Jansz. van Heyst op 29 december 1453; R. 1224, f. 22v.; strekkend tot erf van Gerit Krillart, welk complex tGuet ter Lijnden wordt genoemd; zie ook 4 april 1471; R. 1240, f. 252);
–    een erfelijke pacht van een half mud rogge Bossche maat uit huis, erf, tuin en aanliggende erven, samen twee mudzaad groot, aen die Lijnde tussen erf van Willem van Oisterwijk aan beide zijden (verkregen van Daneel op 4 december 1456; R. 1227, f. 330v.; strekkend van erf van de kinderen van wijlen Gerit Krillart tot aan de openbare straat).

Op 1 februari 1476 werd Daneel voor het eerst vermeld als overleden (R. 1245, f. 207): Hermannus filius quondam Danielis de Heyst.

Terug naar de stamreeks

© 2015-2019 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 20 juli 2015; laatst bewerkt 1 juli 2019.