Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Terug naar de stamreeks

Bronnen
Voor de hier gebruikte afkortingen zie ook de webpagina Stamreeks Van Heyst-De Bruijn.
Gemeentearchief 's-Hertogenbosch [GAHt], Rechterlijk archief [R.] 's-Hertogenbosch 1268, f. 230v.-231 (19.12.1499); f. 14 (2.1.1500).
Regionaal archief Tilburg [GAT], R. Tilburg 253c, f. 2, blz. 3 (20.1.1499); f. 2v., blz. 4 (3.2.1499); f. 6, blz. 11 (14.2.1499); 254, f. 23, blz. 46; 255, f. 20, blz. 39 (3.5.1503); 257, f. 11 (24.2.1505); f. 26v. (6.6.1505); 262, f. 31 (6.11.1511); 264, f. 21 (25.7.1513); 266, f. 3 (23.1.1517); 266, f. 24 (29.6.1517); 274, f. 19v.-20 (14.3.1528); 277, f. 6-9 (20.1.1530).
Koninklijke Bibliotheek Brussel, Hs. II 2802 (Liber anniversariorum van Tilburg; op 20.8); uitgegeven door P.C. Boeren, ’Het oudste Liber Anniversariorum der kerk van Tilburg’, Bossche Bijdragen XXII (1953-1955), 116-144, ald. 135.

Literatuur
Een overzicht over Tilburg van het midden van de vijftiende tot het eind van de achttiende eeuw met literatuuropgave biedt M.W.J. de Bruijn (red.), ‘Groeien tegen de verdrukking in 1450-1780’, in: C. Gorisse (hoofdred.), Tilburg stad met een levend verleden
(Tilburg 2001) 95-187.

Cornelis Hermans (van Heyst)

Vanaf begin 1499 zien we Cornelis Hermans van Heyst optreden voor schepenen van Tilburg. Op 20 januari van dat jaar ontving hij een stuk land aen die Hedsy (de Heikant) van Herman Adriaans (RAT, R. Tilburg 253c, f. 2, blz. 3). Uit het feit dat hij in de betreffende akte ook als belender wordt genoemd, blijkt dat hij al eerder onroerend goed had verworven.

Op 3 februari van hetzelfde jaar beloofde hij Gijsbert Jan Somers vanaf Lichtmis naastkomende – dus 2 februari 1500 – gedurende zeven jaar 18 peters en op iedere termijn  9 lopen rogge (R. 253c, f. 2v., blz. 4).

Op 14 februari 1499 gaf hij een beemd ghelegen aen Theeuwen Maes dach (?) voor honderd jaar in gerechten huyringe aan Hendrik Otten en Willem Laureis. Na die termijn zouden zij – bedoeld is natuurlijk hun rechtsopvolgers – de beemd erfelijk bezitten (ald. f. 6, blz. 11). De verkrijgers beloofden aan Cornelis 68 Rijnsgulden met penningen ghel… (onleesbaar) bier ende broet vercoft (?) van onser Vrouwen dach lychmisse naestcomende binnen drie jaeren ende in elcken onser Vrouwen dach lychmisse hier en bynnen te betalen van II Rynsgulden een lopen rogs. Er volgen meer bepalingen waarvan de betekenis mij niet duidelijk is geworden. De beemd werd voor beide verkrijgers gesplitst, waarbij Henrick Otten syn ghedeelt sal bruycken ende wegen over Willems erffenissen ter ghemeynt toe uut.

Voor de Bossche schepenen beloofde Willem Andries Willem Huibenz. op 19 december 1499 ten behoeve van zijn moeder Hillegond en haar andere kinderen aan Cornelis zoon van wijlen (!) Herman zoon van wijlen Daneel zoon van wijlen Jan van Heyst – dus vier vermelde generaties! – dat hij en zijn broers en zusters hem nooit in rechte zouden aanspreken met betrekking tot een mud rogge Bossche maat uit een stuk beemd van ongeveer een bunder in Tilburg inden Brant. Hendrik Jansz. van den Eynde had die beemd met een stukje beemd van ongeveer drie lopense ter plaats geheten Qualen wiel en een stuk beemd geheten die Weyde eerder aan Willem Andries Willem Huiben ten behoeve van zijn moeder en haar andere kinderen overgedragen. Cornelis gaf ter verzekering van de betaling van die pacht enkele goederen in pand: een stuk land, gedeeltelijk weide en gedeeltelijk hei, van 12 lopense, gelegen aan de Heikant, en een stuk zaailand van 7 lopense aldaar (GAHt, R. 1268, f. 230v.-231). De beemd was al op 30 januari 1418 – dus meer dan tachtig jaar tevoren – verworven door Mechteld weduwe van Jan van Heyst (RAT, R. Oisterwijk 143, f. 12). Cornelis’ grootvader Daneel had die pacht op 24 juni 1457, toen ook uit de andere twee genoemde grondstukken, verkocht aan Liesbet weduwe van Dirk van Bennendungen (GAHt, R. 1227, f. 436; zie verder ook R. 1240, f. 252 (4 april 1471), R. 1239, f. 44v. (31 januari 1470) en R. 1250, f. 194-194v. (21 oktober 1480) en de webpagina Daneel Jans van Heyst).

Op 2 januari 1500 verkocht Cornelis aan Aart zoon van wijlen Frank van der Hoeven een pacht van 4 lopen rogge uit zijn huis, erf, tuin en daaraan liggende erven, ongeveer twee mudzaad groot, gelegen in Tilburg aan de Heikant tussen erf van Goiart zoon van wijlen Hendrik Polslouwer aan de ene zijde en het ene eind en de openbare straat aan de andere zijde en het andere eind (GAHt, R. 1268, f. 14).

Op 3 mei 1503 transporteerde Cornelis’ vader Herman aan zijn kinderen het vruchtgebruik in een huis met toebehoren aan zijn kinderen, die het vervolgens overdroegen aan Willem Jan Mutsaerts. Willem beloofde vervolgens aan de kinderen erfpachten uit dit goed, waaronder aan Cornelis 9 lopen rogge (RAT, R. Tilburg 255, f. 20, blz. 39).

Op 24 februari 1505 beloofde Cornelis aan Goiart Willemsen Verschueren 2 gulden op Lichtmis naastkomend en over twee jaar Wouter Jan Aartsen 8 gulden en op iedere onser Vrouwen dachI 2½ gulden en een loop rogge (R. 257, f. 11). Uit dergelijke betalingsbeloften, die hoogstwaarschijnlijk voortkwamen uit leningen, blijkt dat Cornelis soms krediet nodig had.

Op 6 juni 1505 droeg Cornelis een stucken erfs hom toebehorende, tot eender clyncken gelegen, in de Heikant over aan Goiart Pulskens (R. 257, f. 26v.). Een ‘kling’ was een onbegroeide hoogte.

Op 6 november 1511 droeg Cornelis de helft van een stuk beemd, een buender vel circiter den heelen beempt begrypende, ghelegen inder prochien van Tilborch ter stede geheyten int Reck, tusschen erffenissen Goyaert Pluymen erffgenamen deen syde ende tusschen erffenissen Mergriet Herman Heysten dochter met hoeren kynderen dander syde, streckende vander erffenissen die hoeff geheyten te Lichtenborch totter lantscheydinghe toe den lande van Breda en Tilborch, over aan Cornelis Daneels (R. 262, f. 31). De hoeve Lichtenberg lag in het uiterste noordwesten van Tilburg bij het dorp Dongen. Veel Tilburgse boeren hadden vanaf Gilze tot aan Dongen hooilanden langs het riviertje de Donge, dat de westelijke grens van Tilburg en de Meierij van ’s-Hertogenbosch vormde.

Op 25 juli 1513 trad Cornelis op voor zijn vrouw Peterke Wouter van der Schueren (R. 264, f. 21).

Om een aardig voorbeeld te geven van de transacties die vijf eeuwen geleden in een boerengemeenschap plaatshadden, geef ik hier een Tilburgse schepenakte van 23 januari 1517 volledig weer (R. 266, f. 3):

Condt sy enyghelycken dat comen is voer ons scepenen Cornelis zoen wilner Herman Heysten, ende heeft hom wittelycken ende wael ghekent voldaen ende betaelt te syn van Henrick Willem Eelkens van alsulcken vier lopen roggen erfpachs uut ende van eenen erfpacht van ½ mud roggen erfpachts, dwelck Cornelis voerscreven gecoft ende ghecregen heeft vanden kynderen Willem Jan Willemen Mutsaerts zoen, ende welck halff mud roggen erfpachs voerscreven Michiel ende Jan ghebruederen, kynder wilner Jan geheyten Bellaert wittelycken ende erffelycken vercoft ende geloeft hebben te gelden Jannen zoen wilner Lauwrysen Mutsaerts, nae inhout scepenen brieven vanden Bosch daer op ghemaeckt volcomelycken begrepen is, uut ende van eenen stuck lands, IIII lopensaet vel circiter begrypende, gelegen inder prochien van Tilborch ter plaetsen geheyten opt Rylaer, ende welck helft vanden stuck lands voerscreven Henrick voerscreven huyden des daechs onder syn ploech hebbende is, alsoe hy seede. Et promisit Cornelis voerscreven super se, bona sua etc. Henricken voerscreven ende synen naecomelingen als dat hy opten selven Henricken voerscreven off op die helft vanden stuck lands voerscreven nummermeer tot egheenen dagen sprecken off manen en sal aengaende den iiii lopen roggen erfpachs voerscreven, met egheenen recht, gheestelic of werlick, ende schilt Henricken voerscreven daer aff quyt hom ende allen anderen des quytancien behoeffvende. Datum XXIIIa ianuarii. Scabini Wouwer, Vessem.

Zie over deze pacht ook een akte van 29 juni van datzelfde jaar 1517 (R. 266, f. 24).

Vóór 14 maart 1528 is Cornelis’ vrouw Peterke overleden. Op die datum droeg hij het vruchtgebruik in 12 lopen rogge erfelijke pacht uit een erf in de Heikant over aan zijn kinderen, die deze 12 lopen vervolgens verkochten en overdroegen aan Marcelis Gijsbert Wijtenz. (R. 274, f. 19v.-20). In de oorkonde waarin die pacht gevestigd was, stonden ook nog 6 lopen, die de kinderen behielden, daer om sij den principalen scepenen bryeff voerscreven noch behouden hebben. Deze laatstgenoemde akte dateerde van 4 mei 1495.

Niet lang na zijn vrouw is ook Cornelis overleden. Op 20 januari 1530 werden voor de Tilburgse schepenen zijn onroerende goederen gedeeld. Het is de eerste erfdeling of boe­delscheiding die er van mijn voorouders in de mannelijke lijn bewaard is gebleven.

Opmerkelijk is dat in deze deling de familienaam Van Heyst niet meer is vermeld. Dit was nog wel het geval toen Herman op 14 maart 1528 zijn vruchtgebruik in een erfpacht van twaalf lopen rogge overdroeg aan zijn kinderen (RAT, R. Tilburg 274, f. 19v.-20): Cornelis zoen wilner Herman Heijsten. Overigens werd Cornelis’ zoon, tevens mijn voorvader Pauwels, nog in 1538 met de naam Heijsten aangeduid (R. 284, f. 31). Dat was in deze tak van de familie overigens wel voor het laatst. Opmerkelijk is verder dat in eerste instantie de naam Van Heyst in het begin van de zestiende eeuw werd gewijzigd in het genoemde Heijsten. De naam Heysten of Heijsten vond ik voor het eerst vermeld in een Bossche schepenakte van 27 januari 1470 (R. 1239, f. 127): Iohanni dicto Heysten, en vervolgens veelvuldig aan het eind van de vijftiende eeuw.

Op 20 januari 1530 werden voor de Tilburgse schepenen de onroerende goederen gedeeld van mijn voorvader Cornelis Hermans (R. 277, f. 6-9). Het is de eerste erfdeling of boedelscheiding die er van mijn voorouders in de mannelijke lijn bewaard is gebleven.


Aan de boedelscheiding namen de hierboven genoemde kinderen deel. Aan Daneel Cornelis Hermans vielen hierbij ten deel:
–    elf lopen rogge erfpacht op Klaas Jan Petersen;
–    zes lopen rogge erfpacht op Klaas Vellekens op het Laar;
–    een stuk heiveld in de Moerstraat (in Tilburg);
–    de helft in drie bunder beemd in de Gilse Vucht.
Daneel moet hieruit betalen:
–    een half mud rogge erfpacht Bredase maat en in Breda te leveren (de beemd zal dus gelegen hebben onder Gilze);
–    twee erfcijnzen aan de rentmeester van Breda;
–    een loop rogge aan het Sint-Catharina-altaar (in de Tilburgse kerk).

Hiertegen verkreeg Michiel Gerit Jan Woutersen als man van Corneliske Cornelis Hermans:
–    de andere helft in drie bunder beemd in de Gilse Vucht;
–    tien lopen rogge erfpacht op Gijsbert Willem Woutersen Verschueren;
–    zes lopen rogge erfpacht op Merten Pauwels sDeckerssen.
Michiel moest hieruit betalen:
–    een half mud rogge erfpacht Bredase maat en in Breda te leveren;
–    een jaarlijkse cijns aan de rentmeester van Breda;
–    twee stuivers erfcijns;

Aan Herman Cornelis Hermans werden toebedeeld:
–    een stuk land van ongeveer 21 lopense aan de Heikant in Tilburg;
–    een stuk erf, de helft van zeven lopense, aldaar.
Herman moest hieruit betalen:
–    een jaarlijkse pacht van een mud rogge aan Gijb Petersen van Diessen, in Den Bosch te leveren wanneer Gijb dat wenste;
–    een mud rogge aan Gijb Vels te Tilburg;
–    een erfcijns van vier stuivers aan de heer van Tilburg op Sint-Stevensdag (dit was de heerlijke grondcijns);
–    31 stuivers erfcijns aan Gerit Gijben van Beurden.

Hiertegenover zouden Gerit Vrank Lemmensen, als man van Margriet Cornelis Hermans, en Peter Cornelis Hermans gezamenlijk hebben:
–    een stuk land van twintig lopense in de Heikant;
–    de helft in zeven lopense, waarvan de andere helft aan Herman Cornelis Hermans toebedeeld was.
Hieruit zouden zij betalen:
–    een erfpacht van een mud rogge aan het Onze-Lieve-Vrouwealtaar in Oisterwijk, in Tilburg te leveren;
–    drie lopen rogge erfpacht aan de pastoor van Tilburg (hoogstwaarschijnlijk voor de onder generatie V vermelde, door Herman van Heyst gestichte memorie);
–    twee lopen rogge aan de vier biddende orden;
–    een loop rogge aan de Heilige Geest (de armenzorg) van Tilburg;
–    vier stuivers erfcijns aan de heer van Tilburg op Sint-Stevensdag.

Adriaan Cornelis Hermans kreeg:
–    twee mud rogge erfpacht: twaalf lopen op Gijsbert Willemsen Verschueren en twaalf lopen op Wijt Joostz.
–    een half mud rogge erfpacht op Peter Goort Celen en anderen.

Vervolgens droegen alle erfgenamen behalve Pauwels Cornelis Pauwels aan hun broer en zwager Pauwels (zie volgende generatie) over hun recht in
–    een huis, tuin, grond en daaraan liggend erf, ongeveer een lopense groot, aan de Heikant;
–    een wei van tweeënhalf lopense aldaar.
Hieruit moest betaald worden een half mud rogge erfpacht aan Aart Jan Melissen. Zie voor de nadere uitwerking van deze portie de volgende generatie.

Al met al was de onroerende boedel van Cornelis Hermans tamelijk bescheiden. Er waren betrekkelijk weinig inkomsten, en de grondstukken waren belast met allerlei cijnzen en pachten. Een betrekkelijk gunstige conjunctuur zorgde ervoor dat er jong getrouwd werd, er dus ook veel kinderen geboren werden, die door een langdurig goede voedselsituatie ook nog grotendeels in leven bleven. Telkens wanneer dit het geval was, werd de spoeling door het bestaande erfrecht, waarin alle kinderen meedeelden, dunner en dunner. Kon er aanvankelijk nog op grote schaal ontgonnen worden, waardoor het landbouwareaal vergroot werd, ook dit hield langzaam op, omdat de boeren over voldoende gemeenschappelijke onontgonnen gronden, gemeint, wilden blijven beschikken. Dit alles heeft in de Meierij van ’s-Hertogenbosch vanaf de Late Middeleeuwen tot veel marginale boerenbedrijfjes en ook de opkomst van plattelandsindustrie geleid.



© 2015-2019 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 23 juli 2015; laatst bewerkt 1 juli 2019.