Panorama Goirke
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

Cornelia Peter Pauwels Cornelissen
Een geëmancipeerde vrouw uit de zeventiende eeuw

door Martin W.J. de Bruijn

Inleiding


Mijn verre oudtante Cornelia Peter Pauwels Cornelissen moet een bijzondere vrouw zijn geweest. Behorend tot een familie van kleine zandboeren wist zij zich los te maken uit het traditionele patroon van geboren worden, van jongsaf aan het door mannen aan vrouwen toegewezen werk doen, zo mogelijk met een voor de mannelijke familieleden acceptabele man trouwen, kinderen baren en grootbrengen, en sterven. Het is daarom in zekere zin een verbazingwekkend verhaal, waarvan we een aantal lijnen kennen, omdat er vrij veel schriftelijke bronnen over bewaard zijn gebleven.



























[1] Voor een overzicht van de geschiedenis van Tilburg in deze periode zie M.W.J. de Bruijn, ‘1450-1780. Groeien tegen de verdrukking in’, in: C. Gorisse (hoofdred.), Tilburg stad met een levend verleden (Tilburg 2001) 96-188.













[2] Aansprekend verwoord door L. Adriaenssen, Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629 (Tilburg 2007).




[2a] Regionaal Archief Tilburg [RAT], Rechterlijk archief Tilburg [R.] 617bis, f. 46 (17 oktober 1580).






[3] R. 337, f. 40v.-42 (18 oktober 1591).











[4] RAT, R. 347, f. 318v.






















[5] R. 346, f. 19 van 1604.














[6] R. voogdijrekening 1613 (stuk van 24-28 april 1609).
























[7] R. 347, f. 318v.






[8] J.B. Christijn, Brabandts recht, dl. II (Antwerpen 1682) 1013.














[9] RAT, R. f. 318v.-320v. (11 mei 1609?).












[10] Met de genoemde Peter Martens zal bedoeld zijn Cornelia’s oom van moederskant Peter Marten Antonis Willem Zegers.
















[11] RAT, R. voogdijrekening 1613.

























[12] R. 350, f. 147-149v. (30 augustus 1618; 5 februari 1619).

















[13] RAT, Notarieel archief Tilburg 7, f. 50v.




















[14] Christijn, Brabandts recht, dl. II, 1014.


























[15] RAT, R. 357, f. 153.



























































[16] R. 357, f. 262.



[17] R. 406, f. 39.
Haar ouders, mijn voorvader Peter Pauwels Cornelissen, afkomstig uit de bekende Tilburgse familie Van Heyst, en mijn voormoeder Adriana Marten Antonis Willem Zegers, leefden vanaf het midden van de zestiende eeuw in het oosten van Tilburg, in het gehucht Loven. Ze bewerkten grond die niet van zíjn, maar van háár ouders afkomstig was. Peter zelf kwam uit de Heikant in het noorden van Tilburg, waar zijn ouders enkele generaties lang hadden gewoond en geboerd, en verkocht de grond daar die hij van hen had geërfd (zie de webpagina Stamreeks Van Heyst-De Bruijn).

Een Brabants dorp in de Tachtigjarige Oorlog


Tilburg was een uitgestrekte plaats met een voor een dorp talrijke bevolking, in die tijd waarschijnlijk ongeveer 5000 personen. De meesten leefden als kleine boeren van de landbouw, maar sinds de Late Middeleeuwen was ook de lakennijverheid er in opkomst. De productie lag in handen van lakenkopers, voor een deel afkomstig uit de meer welgestelde boeren, die de grondstoffen inkochten, ter bewerking uitgaven en de eindproducten verkochten. Een deel van de bewerkingen, zoals het wolbereiden en spinnen, kon ook worden uitbesteed aan de boeren en hun gezinnen, waardoor deze niet alleen afhankelijk waren van de opbrengsten van de landbouw. Gezien de geringe oppervlakte van hun landbouwgrond acht ik het waarschijnlijk dat deze nevenverdienste ook gold voor mijn voorouders. Het weven van de betere lakens gebeurde in deze tijd al door speciaal daarvoor geschoolde wevers. Ik heb er voor deze tijd geen onder mijn familieleden aangetroffen.[1]

Was het in vredestijd voor de kleine Brabantse zandboeren al moeilijk om in hun bestaan te voorzien, des te lastiger was het in oorlogstijd, wanneer legers het platteland afstroopten. De hoofdpersoon van dit verhaal, Cornelia, heeft noch het begin noch het einde beleefd van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), die voor een aanzienlijk deel op het Brabantse platteland werd gevoerd. Naar de maatstaven van nu waren de veldheren en dus ook hun opdrachtgevers oorlogsmisdadigers. Dit gold zowel voor de Spaanse koningen als de Staatse stadhouders uit het huis van Oranje-Nassau. Van deze laatste heeft vooral prins Maurits zich in de jaren tachtig van de zestiende eeuw schuldig gemaakt aan onder meer de tactiek van de verschroeide aarde, met uithongering van de plattelandsbevolking tot gevolg. Behalve dat beide oorlogvoerende partijen zich schuldig maakten aan moord, verkrachting en veelvuldige plundering, hieven zij ook nog van beide kanten belasting, waardoor het leven voor de onbeschermde plattelanders gedurende lange perioden zeer moeilijk was.[2]

De Tilburgse boerendochter Cornelia Peter Pauwels Cornelissen


Desalniettemin hebben mijn voorouders zich weten te handhaven. Van Peter en Adriana bleven tien kinderen in leven. Volgens eigen verklaring was Adriana in 1580 veertig jaar oud,[2a] waarschijnlijk was Peter iets ouder. Zij zullen rond 1565 getrouwd zijn. Van hun overlevende kinderen waren er in 1591, toen Adriana overleed, vijf volwassen en vijf nog ‘onmondig’. Bij deze laatste behoorde Cornelia, de hoofdpersoon van dit verhaal.

In 1591 werden de door haar moeder nagelaten onroerende goederen voor de eerste keer gedeeld, waarbij de vijf onvolwassen kinderen samen één kavel of lot ontvingen, bestaande uit enkele bescheiden stukken grond op Loven.[3]

Cornelia trouwde op 1 december 1601 voor de Tilburgse pastoor met de weduwnaar Jacob Adriaan Jacobs van Aelst. Het huwelijksgeluk, voor zover bij de boeren uit die tijd aanwezig, duurde maar kort, want Cornelia bleek al zwanger te zijn van een ander. Zoals uit een akte uit 1609 blijkt – waarover verderop meer – wilde haar man niet meer met haar samenwonen, tenzij zij afstand deed van het kind, dat korte tijd later geboren werd. Het was een dochter die Adriaanke werd genoemd. Die vernoeming zal wel niet naar de vader van Cornelia’s man, Adriaan Jacobs van Aelst, zijn geweest, maar naar haar moeder, Adriana Marten Antonis Willem Zegers.[4]

Volgens de genoemde akte uit 1609 hebben verschillende personen er zich voor beijverd hebben om het echtpaar Cornelia en Jacob tot samenwoning over te halen. Waarschijnlijk zal hiertoe ook wel de Tilburgse pastoor of een van zijn plaatsvervangers hebben behoord. Maar deze pogingen slaagden geen van alle; Cornelia wilde zich niet ‘ontlasten’ van haar kind. Mogelijk is er hierna een scheiding van tafel en bed uitgesproken, maar de bronnen maken daar geen melding van. Een formele scheiding was in het rooms-katholiek gebleven Brabant kerkrechtelijk niet mogelijk.

Burgerlijkrechterlijk viel er natuurlijk wel het een en ander te regelen. De bedrogen echtgenoot, die vier onmondige kinderen had uit zijn eerste huwelijk, wilde de rechten van die kinderen zo veilig mogelijk stellen. Hoewel zijn in 1601 met de ontrouwe Cornelia gesloten huwelijkscontract bepaalde, met toestemming van Jacobs vader en moeder, dat de erfgoederen die zijn kinderen van vaderszijde zouden aankomen gelijkelijk tussen de kinderen uit het eerste en uit het tweede huwelijk zouden worden verdeeld, werd op 3 maart 1604 in een schepenakte vastgelegd dat het erfdeel van 50 carolusgulden van de opbrengst der goederen die zijn eerste vrouw waren aangekomen, aan de kinderen uit dit eerste huwelijk zouden toevallen.[5]

Cornelia zal intussen weer bij haar vader Peter op Loven zijn gaan wonen of mogelijk bij haar broer Pauwels – zie hierna. Ik kan het me moeilijk voorstellen dat zij in het Tilburg van toen ongestoord met haar minnaar kon samenleven. Zoals uit latere bronnen blijkt, was hij waarschijnlijk een allochtoon, een zekere Jan Jansen ‘die men de Duitser noemde’. Maar hoe dit ook zij, ze heeft haar verhouding met hem niet verbroken, zoals verderop zal blijken.

Het duurt tot 1609 voor we weer iets van Cornelia vernemen. In april van dat jaar overleed haar broer Pauwels. Hij liet een weduwe en vier onmondige kinderen na, voor wie erfrechtelijk het een en ander geregeld moest worden. Zo werden al kort na Pauwels’ overlijden zijn vee en de landbouwgereedschappen openbaar verkocht.[6] Hieruit valt af te leiden dat van de voortzetting van het boerenbedrijf geen sprake was. Het was een bescheiden agrarisch bedrijfje. Een rode koe bracht 28 gulden op, een zwarte 16 gulden 5 stuivers, een zwart kalf 5½ gulden, een kalf van niet genoemde kleur 4 gulden 7½ stuiver. Het is niet zeker dat dit de hele veestapel was, maar het kan wel worden aangenomen. De totaalopbrengst van de verkoop bedroeg 201 gulden en 4 penningen. Op de manier waarop dit geld besteed werd, kom ik nog terug, omdat ook Cornelia daar bij betrokken was.

De weduwe en kinderen van Pauwels hadden onder meer ook rechten in de nog onverdeelde boedel van hun schoonmoeder respectievelijk grootmoeder Adriana Antonis Willem Zegers. In een eerste deling kort na haar overlijden in 1591 was een van de vijf loten of kavels ten deel gevallen aan de vijf toen nog onmondige kinderen (de andere vijf waren al volwassen).

Tot de vijf onmondige kinderen van Peter en Adriana behoorde ook Cornelia. En daar lag gezien haar huwelijkssituatie een probleem, want volgens het gewoonterecht zou dit deel aan haar wettige echtgenoot Jacob Adriaan Jacobs van Aelst toevallen. Om dit probleem te ondervangen verscheen Jacob op 11 mei 1609 voor de Tilburgse schepenen en deed daarbij afstand van alle goederen, zowel roerende als onroerende, die aan Cornelia door de dood van haar moeder waren toegevallen en haar door de dood van haar vader nog zouden toevallen.[7] Volgens het Tilburgse gewoonterecht kreeg de man na een huwelijk de onvoorwaardelijke beschikking over alle goederen van zijn vrouw: Soo wanneer man ende wyf in wettighen houwelijck vergadert sijn, mach den man, soo haest als den houwelijck gheconsenteert is, allen sijn huysvrouwe goederen vercoopen, vertieren, versetten, veralieneren, belasten oft beswaeren sonder consent ende wille der selver sijne huysvrouwe, by alsoo verre den man t’selve belieft.[8] Daarom heeft de bedrogen echtgenoot met zijn afstand vanzelfsprekend een belangrijke concessie gedaan, waarvoor waarschijnlijk betaald is, al blijkt dit niet uit de bewaard gebleven gegevens.

Nu was na de afstand door Jacob verdere deling van het part van Cornelia in de door haar moeder nagelaten goederen mogelijk geworden. De secretaris van Tilburg heeft zich dan ook de voorbereidingen tot die verdere verdeling getroffen. Er zijn drie loten of kavels gemaakt voor de drie ‘condividenten’ die er van de oorspronkelijke vijf nog zouden meedelen: de kinderen Jan en Cornelia en de weduwe van Pauwels. Er is zelfs al een conceptakte voor opgemaakt. Zij volgt in het schepenprotocol op de hierboven genoemde waarbij Jacob afstand deed van zijn recht, maar de tekst houdt tamelijk abrupt op. De datering en de gebruikelijke bekrachtiging van twee schepenen ontbreken.[9]

Het lijkt er alleszins op dat men er toch niet uitgekomen is. Ik meen dit zelfs uit de concepttekst te kunnen opmaken. Met betrekking tot het aan Cornelia toe te delen part begint de tekst als volgt:
Hiertegens heeft de huysvrouwede huysvrouwe is onderstreept, wat waarschijnlijk betekent: doorgehaald – Cornelia dochtere Peeter Pauwels huysvrouwe – het laatste woord is hier niet doorgestreept – met Jannen Cornelis Brocken ende Cornelisen Peeter Vennicx, haere naeste gebueren, met admise derselver vercoren, ende sal oversulx voor hare portie hebben, houden ende erffelick besitten etcetera den timmer vander schuere staende opten gronde toecomende Peeter Martens, haren sweer,[10] die zij terstont op haer erve sal moeten wijnen ende stellen, en verder nog een stuk erf, gedeeltelijk zaailand en gedeeltelijk weide, en nog een stuk erf tot weye liggende. Waarschijnlijk had zij van deze schuur haar huis willen maken, zoals we zullen zien niet ongebruikelijk.

Uit het hierboven aangehaalde tekstfragmen met tweemaal huysvrouwe, waarvan een onderstreept en daarmee waarschijnlijk doorgehaald, meen ik te mogen constateren dat men – de secretaris, maar mogelijk ook de schepenen – dat men toch met de situatie niet goed raad heeft geweten en dat daarom de deling niet is doorgegaan. Uiteindelijk zou zij pas voltooid worden na het overlijden van hun vader Peter Pauwels Cornelisen op 17 juli 1618, en wel op 30 augustus van dat jaar.

Na 1613 komen we Cornelia weer tegen in de voogdijrekening die er werd opgemaakt van de besteding van de boedel van haar toen overleden broer Pauwels ten behoeve van zijn weduwe en hun vier nog onmondige kinderen.[11] Er komen twee posten in voor die op zijn minst merkwaardig mogen worden genoemd:

En voor de gerechticheyt van Neelken de dochter Peeter Pauwels voirschreven oyck betaelt dat Peter Janssen de snyer voor d’onderhoudt van heure kyndt heeft ontfangen             XXVI½ gl.
Idem voor de oncosten van deylinge in IIII½ gl. voor des voirschreven Neelkens derdendeel betaelt             XXX st.

Klaarblijkelijk is Cornelia’s dochter uitbesteed geweest, maar waarom het niet geringe bedrag van 26½ gulden ten laste van het onderhoud van de weduwe en kinderen van haar broer Pauwels moest worden gebracht, blijft onduidelijk. Evenmin waarom dit het geval was met het derde deel van de kosten van de voorgenomen erfdeling. Wel blijkt hieruit dat Cornelia haar belangen wist te behartigen. Mogelijk woonde zij in en werkte zij voor haar overleden broer en zijn gezin.

Op 17 juli 1618 overleed op hoge leeftijd Cornelia’s vader en hierna kon eindelijk tot verdere deling van de door hem en haar moeder nagelaten vaste goederen worden overgegaan. Daartoe verschenen de erfgenamen of hun vertegenwoordigers – er waren inmiddels zelfs achterkleinkinderen – voor de Tilburgse schepenen. Ook Cornelia was hierbij aanwezig met, zoals gebruikelijk, een door haar voor deze gelegenheid gekozen voogd.[12]

De deling werd gespitst in twee loten, waarbij het tweede lot behalve aan haarzelf aan haar broer Jan, haar zwager Niclaas Huiberts, die gehuwd geweest was met haar overleden zuster Heilwig, en aan haar schoonzuster Anna, weduwe van haar broer Pauwels Peter Pauwels, en ten slotte aan de schuldeisers van haar overleden, failliet gegane broer Thomas ten deel viel.
Het lot bestond uit een stuk zaailand den Byster, een stuk zaailand den Legenacker, een wei geheten de Grootte Weye, een stuk zaailand het Flierstuck, alle gelegen op Loven.

Het is mij niet duidelijk geworden hoe en wanneer de verdere verdeling van deze goederen heeft plaatsgehad. Zoals we zullen zien is een van deze grondstukken in het bezit gekomen van haar zoon Jan.

Want Adriaanke is niet het enige kind van Cornelia gebleven. Zoals al uit haar eerste testament van 23 februari 1633 blijkt,[13] had zij twee natuerlycke kinderen met naeme Jan ende Adriaentken, buyten houwelycken state verweckt bij Jan Janssen diemen noempden den Duitsen. Aangezien deze zoon Jan niet in de stukken van 1609 voorkomt, zal hij na dat jaar geboren zijn. In het doopboek van Tilburg worden op 29 juli 1611 en 3 maart 1613 Jannen vermeld die de zoon waren van een Jan Jans(s)en. Helaas wordt in geen van beide gevallen de naam van de moeder vermeld, terwijl we ook uit de namen van de doopheffers niet wijzer worden.

In mijn in 1975 verschenen artikel over Cornelia heb ik enkele gegevens toegepast op deze Jan Janssen de Duitser. Maar bij nader inzien denk ik dat ze betrekking hebben op de zoon van Jan en Cornelia. Ik kom daar op terug. Eerst wil ik het testament van Cornelia van 23 februari 1633 behandelen. Een dergelijk testament was noodzakelijk om onechte kinderen te kunnen laten erven. Artikel 10 van het Tilburgse gewoonterecht luidde: Item natuerlijcke ende bastaerden kinderen en moghen in gheenderhande goederen mede deylen, ende en hebben anders niet dan dat henluyden in puerder aelmoessen ende om Godts wille ghegheven ofte beset wort, by testamente ofte anderssints.[14] Alsof die kinderen er zelf iets aan konden doen dat ze onecht waren.

Testamenten

Op de genoemde datum 23 februari 1633 verscheen Cornelia, gesondt van lichaeme, gaende, staende ende haere memorie metten verstande wel volcomen, soo tselve opentlijcken was blijckende, voor de Tilburgse notaris Herman de Roij, die tevens dorpssecretaris was. Na haar ziel aan God, aan zijn moeder Maria ende voirts den geheelen hemelschen geselschappe te hebben aanbevolen, koos zij haar begrafenis opde gewijde eerde binnen deser parochie van Tilborch.

Hierna beschikte zij over haere tijtelijcke goedere, die Godt almachtich haer op dese aerde heeft verleendt. Om te beginnen vermaakte zij aan Jenneke Wouter Jansen en haar kinderen verwekt bij wijlen Huibert Jansen 3 carolusgulden. Vervolgens vermaakte zij al haar andere goederen aan haar twee natuurlijke kinderen Jan en Adriaanke, buiten huwelijk verwekt bij de genoemde Jan Jansen de Duitser, en hun wettige kinderen.

Op 30 mei 1639 bevestigde Cornelia, nu sieck te bedde liggende, nochtans haere memorie metten verstande ende vyff sinnen wel volcomen ende machtich, ten overstaan van twee Tilburgse schepenen haar in 1633 gemaakt testament,[15] maar voegde er enkele legaten aan toe. Om te beginnen zouden de kinderen van haar dochter, die getrouwd was met Gerit Niclaas de Cock, na haar overlijden aanvaarden het huys metter erffenisse daeraen gelegen, gestaen ende gelegen alhier binnen Tilborch ter plaetschen geheyten Loven, daerinne deselve tegenwoirdich is woonachtich, ende dat ten regarde dat sy testatrice verclaert de penningen daermede tverschreven huys is getimmert vuytten name ende van wegen deselve Adriana ontfangen ende genoten heeft van wylen seeckere vrouwe by name Anna aende molen tot Huyckelom, die deselve aende voorschreven Adriana bij haren testamente gemaeckt ende gelegateert hadde, soo deselve Cornelia is verclarende. Als ik het goed begrijp had Cornelia’s dochter Adriaanke dus dat geld geërfd van een zekere Anna bij de molen van Heukelom en had haar moeder dat geld namens haar ontvangen en daar een huis van laten bouwen. Het zal dus niet de schuur uit de nalatenschap van haar in 1609 overleden broer Pauwels zijn geweest.

Verder vermaakte Cornelia nog haar bed aan Catharina, het jongste kind van haar dochter Adriaanke en Gerit Niclaas de Cock. Deze Catharina werd in Tilburg gedoopt op 16 september 1635 en was dus nog heel jong toen haar tante haar haar bed vermaakte.
De handmerken van Cornelia Peter Pauwels Cornelissen

Cornelia’s zoon – dus Jan Jan Jansen de Duitser – overleed vóór 26 oktober 1639. Hij was gehuwd met Adriana Wouter Peter Jaspers. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Jan en Peter. Op genoemde datum droegen de voogden over deze onmondige kinderen na zondagse veiling een stuk zaailand van 1 lopense en 8 roeden in de Lovenakker aan de Pelgrimsweg over aan Peter Hendrik Hermans van Heyst.[16] Gezien de ligging zal het afkomstig zijn geweest van hun grootmoeder Cornelia Peter Pauwels. Op 5 maart 1640 verklaarde de weduwe van Jan Jan Jansen de Duitser, Adriana,  voor het verkochte erf, naast een ander uitgekeerd bedrag, uit handen van de voogden 25 gulden te hebben ontvangen voor het onderhoud van de kinderen.[17]

[18] R. 32, ongef. (18 november en 2 december 1630); 33, ongef. (vóór 31 maart 1631, 31 maart 1631 en 12 mei 1631).








[19] RAT, R. civiele processtukken 2185.


[20] Zie hierover De Bruijn, ‘1450-1780. Groeien tegen de verdrukking in’, 108-121.














[21] A.M. Frenken, ‘De latere kerkvisitaties’, in Bossche Bijdragen 27 (Sint-Michielsgestel 1963-1964) 1 e.v.
Waarschijnlijk is het deze Jan Jan Jansen de Duitser geweest die op 18 november 1630 door Willem Jansen van Heyst voor de Tilburgse schepenen werd gedaagd. De eis luidde: goetdoeninge oft reparatie van seven stoelen met noch eenen drinckpot, bij den gedaechde in stucken geslagen tot sijns aenleggers woonhuyse des avonts op den 27en octobris lestleden. Jan hield nog enkele gerechtstermijnen zijn poot stijf, maar daarna vinden we de zaak niet meer op de rol terug, zodat we mogen aannemen dat de zaak in der minne geschikt is.[18] Strikt genomen kan van dit gewelddadig optreden ook zijn vader Jan Jansen de Duitser, de minnaar van zijn moeder Cornelia, de dader zijn geweest, maar aangezien het verstand doorgaans met de jaren komt, houden we het toch op de zoon.

Mogelijk is vader Jan de gedaagde geweest in de rechtszaak in 1632 van Antonis Adriaan Geritsen de Beer tegen een Jan Jansen den Duytschen als borg van de in beslag genomen penningen van Isabel, de vrouw van Hendrik Jansen verver, in verband met het leren van het vak blauwverven, maar ging het om de opleiding van de zoon.[19] Het lijkt er dus op dat zij werkzaam waren in de toen bloeiende Tilburgse textielindustrie.[20]

Tot besluit


Mijn verre oudtante Cornelia Peter Pauwels Cornelissen was dus een interessante persoonlijkheid. We hebben haar leren kennen als een vrouw die zelfstandigheid verkoos boven afstand van haar kind en een vast inkomen. De rechten op haar erfgoed wist ze persoonlijk te behouden. Zij kreeg, slechts gescheiden van tafel en bed, twee kinderen bij waarschijnlijk een vreemdeling en trotseerde daardoor ongetwijfeld de verachting van de Tilburgse goegemeente. Toen op 16 juni 1617 Mattheus Langhecrucius, landdeken van Hilvarenbeek, de parochie Tilburg visiteerde en in zijn verslag moest schrijven dat daar ketters en andere schandelijk levende personen waren, wier namen de bisschop in zijn bezit had, zullen op die lijst misschien ook wel Jan Jansen de Duitser en Cornelia Peter Pauwels geprijkt hebben.[21] Zou hun gebeente toch opde gewijde eerde binnen deser parochie Tilborch rusten?


© >> C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 1 november 2019 laatst bewerkt 1 november 2019.