Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)

































Plattegrond met de clauustrale huizen aan de noordzijde van het Janskerkhof
Afb. 2. Plattegrond met de claustrale huizen aan de noordkant van het Janskerkhof, getekend door A.F.E. Kipp. Uit: Archeologische en bouwhistorische kroniek van de gemeente Utrecht 1985, 153.














[1] In ieder geval al in de rekening van de Kleine Kamer van het kapittel van 1616 tot 1623 (Het Utrechts Archief, Archief van het kapittel van Sint-Jan 155-20).

[2] Het Sint Janskerkhof en de Sint Janskerk (1902). Handschrift in Het Utrechts Archief.










[3] Ald. 132.









Opgravingsterrein van het Gat in de Voorstraat
Afb. 4. Het opgravingsterrein van het Gat van de Voorstraat. Uit: Archeologische kroniek van de provincie Utrecht 1996-1997, 126.

Haardvloer
Afb. 5. Haardvloer met op de kant gezette vloertegels in biezenmatpatroon. Uit: Archeologische kroniek van de provincie Utrecht 1996-1997, 126.


[4] C.A.M. van Rooijen en R. van der Mark, ‘Voorstraat/Boothstraat’, in: Archeologische kroniek van de provincie Utrecht 1996-1997, 125-131.

[5] Sint-Jan 155-1 tot en met 155-8.

[6] Sint-Jan 135.

[7] Ald. 169-3, f. 144-145 en 135 (13 augustus 1408).

[8] Ald. 135.

[9] Ald. 135.

[10] Ald. 169-4, f. 49v.-50, en 59v.-60v. (31
 oktober 1433).

[11] Ald. f. 92v.

[12] Het Utrechts Archief, Archief van de dom 3187.

[13] B. (= A.J.) van den Hoven van Genderen, De heren van de kerk. De kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de Late Middeleeuwen (Zutphen 1997) 460, nt. 8.
Een claustraal huis van Sint-Jan in Utrecht
(op het achterterrein tussen Janskerkhof 16 en 17)
door Martin de Bruijn

In mijn dissertatie Husinghe ende hofstede over de rechtspraak over onroerend goed in middeleeuws Utrecht heb ik uiteraard ook aandacht besteed aan de Utrechtse kapittelimmuniteiten. Ik heb daarbij een volledige opsomming gegeven van de binnen deze immuniteiten gelegen huizen van de kapittelgeestelijken, de ‘claustrale’ huizen, met hun bezitters, tot omstreeks het jaar 1400.


De indrukwekkendste claustrale huizen stonden aan de noordkant van het Janskerkhof. Hun percelen strekten zich uit vanaf het kerkhof tot aan de Voorstraat en waren zo’n negentig meter diep. Van deze claustrale wooncomplexen is een afbeelding bewaard gebleven die nog een indruk geeft van hun middeleeuwse luister. Het betreft een vogelvluchtplattegrond van de landmeter Jan Rutgersz. van den Berch van 1604 (afb. 1).

Janskerkhof 1604
Afb.1. Vogelvluchtafbeelding van het Janskerkhof in 1604. Boven het koor van de kerk bevindt zich het hier behandelde kasteelachtige claustrale huis.

Tussen de huizen staat er een met een kasteelachtig karakter. Het heeft een toren en verder hoektorentjes op de zijgevels, alle met vaantjes erop. Ook van dit huis zijn in mijn boek de bezitters vermeld tot omstreeks 1400. Tot zover niets aan de hand. Maar op pagina 198 van mijn proefschrift heb ik het complex ten onrechte in verband gebracht met het tegenwoordige Boothstraat 6, het huis waarin in de negentiende eeuw de dichter en dominee Nicolaas Beets gewoond heeft. En dit is onjuist, want laatstgenoemd huis stond oostelijk van het ‘kasteeltje’, achter Janskerkhof 15A-16.

Ik deed dit overigens aan de hand van J.J. de Geer van Oudegein, Het oude Trecht. De oorsprong der stad Utrecht (Utrecht 1875), 130-132, die ten onrechte schreef dat bisschop Arnold van Horn er in 1378 heeft gewoond. Deze huisde namelijk – tijdens een verbouwing van het Bisschopshof – in het oostelijk aangrenzende huis, waar later Nicolaas Beets woonde. Overigens gaat het bij Het oude Trecht van de autodidact De Geer van Oudegein om een publicatie waar de huidige onderzoekers van de vroegmiddeleeuwse Utrechtse geschiedenis nog steeds een voorbeeld aan kunnen nemen.

In de zeventiende eeuw werden de huizen van het Sint-Janskapittel genummerd van I tot en met XIX.[1] Deze nummering is ongeveer een eeuw geleden overgenomen door de archiefvorser G.G. Calkoen.[2] Hierin heeft het huis in kwestie volgnummer III en het huis van Beets nummer IV gekregen. Deze nummers zijn ook gebruikt op een door bouwhistoricus Frans Kipp getekende plattegrond van de noordkant van het Janskerkhof, waar in oorsprong zes claustrale erven waren uitgezet (zie afb. 2).

Bij de invoering van het kadaster werd het perceel met het kasteelachtige huis onder sectie A nr. 565 op naam gesteld van Jacob Karel Martens van Sevenhoven, regter van instructie, maar later is het afgebroken. Het perceel werd samengevoegd met het oostelijk gelegene sectie A, nr. 564 (nu Janskerkhof 16) en tot tuin gemaakt. In 1862 werd in deze tuin een prachtige middeleeuwse tegelvloer aangetroffen, die in 1875 werd afgebeeld in Het oude Trecht van De Geer van Oudegein (afb. 3). Volgens deze auteur had het huis eene groote en fraaije zaal, waartoe dan de bewuste vloer zal behoord hebben.[3]

Tegelvloer
Afb. 3. De tegelvloer zoals afgebeeld in Het Oude Trecht.

Niet alleen in de negentiende eeuw werd verwoed gesloopt. In de tweede helft van de twintigste eeuw is door sloop aan de achterzijde van dit en de oostelijk aangrenzende percelen het zogeheten Gat van de Voorstraat ontstaan, waar ook een deel van het vroegere claustrale perceel toe is gaan behoren. Vóór dit uitgestrekte terrein opnieuw werd bebouwd – nu Hof van Sint Jan geheten – kon er archeologisch onderzoek worden uitgevoerd (afb. 4). Hierbij werden onder meer delen van de oorspronkelijke zijslootjes met de aangrenzende claustrale erven en van het achterste deel van het vroegere gebouwencomplex nog een middeleeuwse haardvloer van op de kant gezette daktegels in een biezenmattenpatroon aangetroffen (afb. 5).[4]

Ik geef hier, aan de hand van de rekeningen van de Kleine Kamer[5] en de oorkonden van het kapittel van Sint-Jan, de bezitters van het claustrale complex tot omstreeks 1500:

1367/68 Gijsbert Vustinc, kanunnik van Sint-Jan
14 september 1400[6] ridder Zweder van Vianen en jonkvrouw Janna van Beverweerd
11 augustus 1408[7] Willem Eggert, heer van Purmerend
8 december 1415[8] Jacob van Lichtenberg, proost van Sint-Pieter
15 september 1425[9] Yolenta van Liningen, vrouwe van Egmond en IJsselstein
3 december 1431[10] Floris van Kijfhoek
31 oktober 1433[11] Johan Amelong
zijn weduwe
18 december 1481[12] Johan Nijs, proost van Sint-Jan

Het zal duidelijk zijn dat het hierbij steeds ging om hoge geestelijken, maar ook om edelen en vooraanstaande burgers. In beginsel mochten de claustrale huizen alleen in het bezit zijn van geestelijken, in de eerste plaats van het eigen kapittel. Maar omdat de kapittels autonoom waren, weken zij vaak zelf van hun eigen statuten af. En leken waren bereid om veel geld voor zo’n huis neer te tellen en ook nog memories te stichten en andere vrome schenkingen ten behoeve van het kapittel te doen. Zo zijn door de eeuwen heen veel claustrale huizen van Sint-Jan in het bezit van welgestelde edelen en Utrechtse burgers geweest.

Zo’n leek was Willem Eggert, die niet alleen heer was van Purmerend, maar ook thesaurier en stadhouder van de Hollandse graaf. Dergelijke hoge ambtsdragers hadden vaak huizen in plaatsen waar ze belangen te behartigen hadden. Zo bezat Willem ook een huis in het stadje in opkomst Amsterdam, waar hij schepen was. In zijn tuin stichtte hij de Nieuwe Kerk, waarin hij in 1417 in een eigen kapel is begraven. Kort voor zijn dood is hij als weduwnaar nog proost van het Utrechtse kapittel van Oudmunster geworden onder de belofte binnen een jaar na zijn benoeming de benodigde geestelijke wijdingen te ontvangen of in Rome dispensatie te verkrijgen.[13] Ook toen was met geld bijna alles te koop.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2012-2013. - Gepubliceerd juli 2012; laatst bewerkt 18 februari 2013.