Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Deze internetbijdrage is een bewerking van mijn artikel ‘De burcht Trecht’ in: G. van Baaren e.a. red., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht (Utrecht 1995) 429-432. Dit artikel is hoofdzakelijk gebaseerd op mijn proefschrift Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goed in de stad Utrecht in de Middeleeuwen (Utrecht 1994) 79-170. Laatstgenoemde publicatie bevat de uitgebreidste studie die tot nu toe over de Utrechtse burcht is verschenen. Het ziet er niet naar uit dat hierin op korte termijn verandering zal komen. Intussen wordt het onderzoek naar de burcht en haar bebouwing door Lotty Broer en mij voortgezet. De resultaten zullen onder meer op deze internetpresentatie worden geplaatst. Zie hiervoor de webpagina
Op en rond het Domplein.
De burcht Trecht
door Martin de Bruijn


In de omgeving van het Utrechtse Domplein bevinden zich – verborgen onder de grond en in de huizen – de schamele resten van wat eens een van de belangrijkste burchten in de rivierendelta van de Rijn en de Maas is geweest. Het betreft hier de burcht Traiectum of Trecht, die zowel de Romei­nen en de Frankische koningen als de bisschoppen van Utrecht tot verster­king heeft gediend. Dat deze burcht tot nu toe weinig aandacht in de literatuur heeft gekregen, is waarschijnlijk aan twee omstandigheden te wijten: in de eerste plaats aan het feit dat zij al op een betrekkelijk vroeg tijdstip – in de twaalfde eeuw – haar functie heeft verloren, en voorts omdat de dichte bebouwing van het gebied waarin zij gelegen is weinig gelegenheid tot archeologisch onderzoek heeft geboden en nog steeds biedt. Slechts beetje bij beetje geeft deze eeuwenoude versterking haar geschiedenis prijs.

Plattegrond van de burcht
Afb. 1. Plattegrond met de verschillende fasen van de burcht Traiectum of Trecht. 1: de laatste, om­streeks 210 gebouw­de stenen fase van het Ro­meinse castellum; 2: de waarschijnlijk vroeg-elfde-eeuwse uitbouw; 3. de uitleg van rond of na het midden van de elfde eeuw.








[1] Zie ook E.J. Haslinghuis, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst I, De provincie Utrecht, 1ste stuk, De gemeente Utrecht I (’s-Gravenhage 1956) 1.









[2] Voor de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van onze streken zie D.P. Blok, De Franken in Nederland (3de druk, Haarlem 1979).









[3] Zie hiervoor vooral de nog verkrijgbare monografie van C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005).

















[4] Broer en De Bruijn, ‘Bonifatius en de kerk van Nederland’.


















[5] Voor de graven zie C. Dekker, Het Kromme Rijngebied. Een institutioneel-geografische studie. Stichtse historische reeks 9 (z.pl. 1983) 365-388; voor de burggraven M.W.J. de Bruijn en M.A. van der Eerden-Vonk, ‘Het Utrechtse burggraafschap’, in: C. Streefkerk en S. Faber red., Ter recognitie. Opstellen aangeboden aan prof. mr. H. van der Linden (Hilversum 1987) 55-81; en A.L.P. Buitelaar, De Stichtse ministerialiteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek. Middeleeuwse studies en bronnen XXXVII (Hilversum 1993) 23-39.

[6] A. van Metz, De diversitate temporum, H. van Rij m.m.v. A. Sapir Abulafia uitg., (Amsterdam 1980) 22-23.



De Romeinse muur
Afb. 2. De burchtmuur. Het verschil tussen het regelmatige Romeinse muur­werk en de rommelige vroegmiddeleeuwse herstellingen is duidelijk zichtbaar.


Zuilen paleis Lofen
Afb. 3. Deel van een zuilarcade met zuilen van de keizerpalts Lofen uit het midden van de elfde eeuw.



Vogelvluchtreconstructie van de burcht
Afb. 4. Driedimensionale reconstructie van de burcht omstreeks 1200. Veel onderdelen zijn speculatief, enkele aantoonbaar onjuist. Dergelijke reconstructies kunnen slechts een globaal beeld van een situatie op een aangenomen tijdstip geven. Alleen grondig detailonderzoek van alle bronnen kan op de lange duur een grotere zekerheid opleveren, maar het aantal onbekende elementen zal altijd groot blijven. Ontleend aan H. Hundertmark en K. van Vliet, De Paulusabdij (Utrecht 2010) 60.



[7] M.W.J. de Bruijn, ‘De datering en eerste bestemming van Wed 5-7 in Utrecht’, in: Maandblad Oud-Utrecht 63 (1990) 85-88.

[8] L.R.P. Ozinga e.a., Het Romeinse castellum te Utrecht (Utrecht 1989) 41.

[9] Haslinghuis, De Nederlandse monumenten, 41-42.

[10] M.J. Dolfin e.a., Utrecht. De huizen binnen de singels. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst II, De provincie Utrecht, 1ste stuk, De gemeente Utrecht III (’s-Gravenhage 1989) 3.

[11] Ozinga, Het Romeinse castellum, 104.

[12] Aldus een overigens pas veel later vervaardigde oorkonde, die gedateerd is op 940. S. Muller Fz. en A.C. Bouman uitg., Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 I (Utrecht 1920) nr. 104.

[13] A.F.E. Kipp, ‘Lichte Gaard 7’. Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1986, Maandblad Oud-Utrecht 60 (1987) 193-194; R.P.J. Kloosterman, Archeologisch onderzoek naar het castellum en het bisschoppelijk paleis. Basisrapportage Archeologie 41 (Utrecht 2010) 10-11 en 23-27.

[14] B. Koopmans, Lofen. Een elfde-eeuws keizerlijk paleis in Utrecht. Clavis Kleine Kunsthistorische Monografieën 9 (Utrecht en Zutphen 1989) 10.

[15] C.W. Vollgraff en G. van Hoorn, ‘De opgravingen in juni en juli 1933’, in: Opgravingen op het Domplein te Utrecht (Haarlem 1934) 45-47; Kloosterman, a.w., 10-11 en 23-27.

[16] ‘Wed 5-7’. Archeologische kroniek van de gemeente Utrecht over 1976-1977, Maandblad Oud-Utrecht 53 (1980) 31-32. Ook als overdruk verschenen: Archeologische kroniek van de gemeente Utrecht 1976/77. Zie ook de webpagina Wed 3A-9.
Geschiedenis 

De geschiedenis van de burcht begint omstreeks 47 na Christus. Toen werd enkele kilometers voorbij de splitsing tussen de rivieren de Rijn en de Vecht op de linkeroever van de Rijn een castellum gesticht, een bescheiden fort langs de noordgrens van het Romeinse Rijk, de Rijnlimes (afb. 1). De burcht droeg omstreeks 300 de naam Traiectum, in latere tijd werd zij Trecht genoemd. Beide namen verwijzen naar een over­steek­plaats in de rivier de Rijn, waaraan zij gelegen was.[1] 

Na het vertrek van de Romeinen in de tweede helft van de derde eeuw zal het fort gebruikt zijn door de inheemse bevolking en door Germaanse indrin­gers. Paaltjes en graven ten westen en ten oosten van het fort uit de eerste helft van de vijfde eeuw doen een zekere continuïteit in bewoning vermoe­den.

In het tweede kwart van de zevende eeuw werd de burcht in bezit genomen door de Frankische koning Dagobert (623-639). De Franken waren Germanen die vanaf de vijfde eeuw in het huidige België en Noord-Frankrijk konink­rijkjes hadden gesticht. De konin­gen beschouwden zich als de rechts­opvolgers van de Romeinse keizers en daarmee als eigenaars van de Romeinse verster­kingen.[2]

Koning Dagobert liet binnen de burcht een kerk bouwen, die hij samen met de burcht aan de Keulse kerk schonk met de opdracht om de nog heidense Friezen te bekeren. Deze verjoegen de Franken echter en verwoest­ten het kerkje tot op de bodem.

Omstreeks 690 veroverden de Franken de burcht opnieuw. Onder bescher­ming van de Frankische koningen en hun hofmeiers bouwde de vanuit Engeland overgestoken missionaris Willibrord er een kerk ter ere van Sint-Salvator waaraan hij een klooster verbond. Waarschijnlijk maakte hij hiervoor gebruik van het Romeinse hoofdgebouw.[3] Enkele jaren na de stichting werd Willibrord in Rome door de paus tot aartsbis­schop onder de Friezen gewijd.

Omstreeks 714 werd de burcht opnieuw door de Friezen ingenomen, maar al kort daarna, in 718, door de Franken heroverd. Willibrord, die onder be­scherming van de koningen en hofmeiers zijn missie­werk hervatte, verkreeg voor de Utrechtse kerk en haar bezittingen immuniteit, dit wil zeggen dat zij onttrokken werd aan het gezag van de beambten van de Frankische koningen en zelf overheidsgezag kon uitoefenen en belastingen innen. Dit privile­ge vormde de basis voor de wereldlijke gezagsuitoefening van de bisschop­pen, die later zou resulteren in de vorming van een landsheerlijk­heid, het Sticht Utrecht.

Met voorbij­gaan aan de schenking van koning Dagobert aan de Keulse kerk werd in 723 de burcht Traiectum met het omliggende gebied door de Frankische hofmeier Karel Martel aan de Utrechtse kerk geschonken. Ver­moedelijk in deze periode herbouwde Wil­librord de verwoeste kerk vanaf het fundament en wijdde haar aan Sint-Maarten, de patroonheilige van de Frankische koningen.[4] Vanaf het midden van de achtste eeuw werden de schenkingen van de koningen en keizers aan deze Sint-Maartenskerk gedaan. Op den duur werd zij de kathedraal van een bisdom Utrecht, dat ging behoren tot de kerkprovincie Keulen. 

Onder bescherming van de Frankische koningen en keizers bleef de burcht een bestuur­lijk en kerkelijk centrum van de Utrechtse kerk. In het midden van de negende eeuw vluchtte de geestelijkheid echter voor de Noormannen. Pas omstreeks 920 kon de bisschopszetel in de burcht Trecht worden her­steld. 

De Utrechtse kerk werd door de koningen en keizers van het Duitse Rijk, waartoe het grootste deel van het latere Nederland was gaan behoren, niet alleen begiftigd met vermo­gens- maar ook met overheidsrechten: de bisschoppen werden ingeschakeld bij het bestuur van het Rijk. Zij lieten zich daarin bijstaan door graven, die tevens voogd over de tot de Utrechtse kerk beho­rende personen en goederen waren. Een dergelijke graaf-voogd zal binnen de burcht gezeteld hebben en dat zal ook het geval zijn geweest met de burg­graaf, een functionaris die vanaf de elfde eeuw vermeld wordt en die het toezicht had op de burcht en de leiding over de militaire bezetting.[5]

Een kroniek verhaalt hoe in 1007 de Noormannen nog een keer voor Utrecht verschenen. De kooplieden die aan de voet van de burcht woonden, staken hun wijk in brand om een vrij schootsveld te hebben en geen be­schutting te bieden aan de aanvallers. Vervolgens trokken zij zich met hun bezittingen in de burcht terug. De Noormannen waagden geen aanval, volgens de vrome kroniekschrijver omdat zij onder de indruk waren van de heiligheid van bisschop Ansfried.[6] Maar misschien waren de burcht en de militaire bezetting wel sterk genoeg om een aanval met succes te doorstaan en de aanval­lers te verslaan. 

In de eerste helft van de elfde eeuw werd aan de noordwestzijde van de burcht een verblijf gebouwd voor de koningen en keizers, wanneer die in Utrecht verblijf hielden (afb. 3). Aan de zuidwest­kant lag het bisschopshof, dat al in 1017 werd vermeld.

De geestelijkheid, die aanvankelijk een gemeen­schappe­lijk leven leidde, verkoos in deze periode voor het merendeel om verder te leven onder een regime dat een eigen vermogen en bij uitzondering ook het bezit van eigen woningen toestond. Van uitzonde­ring is dit in Utrecht al snel regel gewor­den. De burcht was echter te klein voor de bouw van voldoende huizen. Om ruimte daarvoor te verschaffen werd waarschijnlijk aan de noord-, oost- en zuidzijde de oude burchtmuur voor zover nodig afgebroken en de gracht gedempt, waarna er 25 à 30 meter daaromheen een nieuwe gracht werd gegraven dan wel gebruik werd gemaakt van een al bestaande gracht (afb. 1). 

Het is de vraag of deze nieuwe gracht nog wel een verdedigende functie heeft gehad. De vestiging omstreeks het midden van de elfde eeuw van nieuwe kerken buiten de burcht en dus buiten de bescherming van de versterking, duidt erop dat dit een stabiele en veilige periode was. 

In of kort vóór 1122 kreeg de lekenbevolking van Utrecht, die in de omgeving van de burcht woonde, van bisschop Godebold een privilege dat in laatstgenoemd jaar door de keizer bevestigd werd. Dit stadsrecht hield onder meer het recht in een nieuw te vormen stadsgebied te omgeven door een wal. In hetzelfde jaar werd het Concordaat van Worms gesloten, waarbij de koningen en keizers het recht verloren de bisschoppen in het Rijk te benoe­men. Dit leidde tot andere machtsverhoudingen, waardoor de bisschoppen niet langer van de keizer afhankelijk waren, maar op den duur evenmin op hun steun konden rekenen. Toch wisten naast sommige wereldlijke potentaten ook de bisschoppen zich op te werken tot landsheren. Het wereldlijk gebied van de bisschoppen, het Sticht, was aanmerkelijk kleiner dan het kerkelijk territoir, het bisdom. Het ging ongeveer de latere provincies Utrecht, Overijs­sel en Drente met de stad Groningen beslaan. 

Door de aanleg van de stadswal van Utrecht in 1122 verloor de burcht Trecht praktisch alle betekenis. Dat voor de bisschop het verblijf in zijn oude bis­schopshof zelfs gevaarlijk kon zijn, bleek in 1159, toen hij door zijn dienstlieden werd belegerd in een daar staande toren, die de turris epicopalis of bis­schopstoren werd genoemd. Waarschijnlijk gaat het hierbij om een gebouw dat als de kern, de donjon, van de oude burcht werd beschouwd. Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw verble­ven de bisschoppen doorgaans op een van hun burchten buiten de stad Utrecht. 

In deze periode, de tweede helft van de twaalfde eeuw, zal ten gevolge van de veranderde positie van de koningen en keizers van het Rijk de palts geliqui­deerd zijn. De gebouwen zullen toegewezen zijn aan het domkapittel dat er huizen voor de kanunniken van maakte, die De Vier Steenhuizen werden genoemd. Voor zover de in de elfde eeuw aangelegde burchtgracht nog een functie heeft gehad, heeft ze die eveneens al snel verloren. Dit blijkt uit het feit dat in het eerste kwart van de dertiende eeuw een gemeenschappelijk kapittelgebouw van Oudmunster over de gracht die waar­schijnlijk de zuidelij­ke burchtgracht vormde heengebouwd werd.[7] 

Beschrijving

Door de uitleg van de burcht in de elfde eeuw, de wellicht hiermee al gepaard gaande opheffing van de beschermende functie door de aanleg van de stadswal omstreeks 1122 alsook door de bouwactiviteiten rond de kerken van dom en Oudmunster zijn alleen geringe muurfragmenten van de eens zo belang­rijke burcht Trecht, de hoofdvestiging van het bisdom Utrecht en het Sticht Utrecht in wording, bewaard gebleven. 

Het Romeinse castellum, dat gelegen was op en rond het tegenwoordige Domplein in Utrecht, kende enkele opeenvolgende fasen, waarvan de eerste uit hout, de allerlaatste uit steen was opgetrokken. Deze fase, tot stand gekomen omstreeks 210 na Christus,[8] was iets omvangrijker dan de houten voorgangers. Zoals uit een recon­structie op grond van teruggevonden resten is gebleken, besloeg het stenen fort een opper­vlakte van circa 126 x 152 meter. Waarschijnlijk bezat de burcht in het midden van de vier zijden poorten, waarvan de noordelijke, de oostelijke en de zuidelijke archeologisch zijn vast­gesteld (afb. 1).[9] 

Onbekend is of en zo ja in hoeverre de burcht bij de schermutse­lingen tussen de Friezen en de Franken in de zevende en achtste eeuw werd beschadigd of vernield. Waarschijnlijk werd onder koning Dagobert (623-639) de burcht Traiectum opgelapt. Het teruggevonden muurwerk vertoont primitieve herstellingen die uit de zevende eeuw zouden kunnen dateren (afb. 2).[10] Wellicht zijn ook al in deze periode de oostelijke en de zuidelijke poort dichtgezet.[11] 

Evenmin is zeker of de Noormannen de burcht hebben vernield. Volgens de overlevering herstelde bisschop Balderik na de terugkeer van de geeste­lijkheid omstreeks 920 de burcht. Hij zou haar hebben voorzien van poorten en een muur met bolwerken en een brug die toegang gaf tot de burcht hebben gebouwd.[12] Met deze brug zal een bouwwerk bedoeld zijn in het midden van de westzijde. Deze brug stond later bekend als de Pons urbanus of Borchbrugghe, thans als Maartensbrug. 

Wellicht is al in deze periode de burcht aan de westzijde vergroot, maar recente opgravingen duiden erop dat dit in het eerste kwart van de elfde eeuw onder bisschop Adelbold is gebeurd. Door deze geringe verruiming naar het westen toe zullen de knikken in de gracht aan de Vismarkt en de Lichte en Donkere Gaard zijn ontstaan (afb. 1). Deze gracht werd nog in de dertien­de eeuw de burcht­gracht genoemd. De westelijke burchtmuur is op verschil­lende plaatsen in de huizen teruggevonden, ongeveer vijf à zes meter achter de huidige rooilijn.[13]

De keizerpalts, die waarschijnlijk in het eerste kwart van de elfde eeuw aan de noord­westzijde van de burcht tot stand kwam, werd Lofen genoemd, waarschijnlijk naar de zuilengalerij die zij heeft gehad. Van deze palts is een trapezium­vormige ruimte van 35,70 à 32,25 x 16,75 à 9,15 meter met zuilen en bogen be­waard gebleven (afb. 3).[14] 

Van het oudste bisschopshof, voor het eerst vermeld in 1017, toen het door brand werd verwoest, is bij archeologisch onderzoek enig muurwerk een aantal meters ten zuiden van de Servetstraat aangetroffen en in 2008 omvangrijkere fundamenten in Lichte Gaard 9, welke laatste worden toegeschreven aan bisschop Adelbold. Langs de Servetstraat bevond zich, tussen de domtoren en de Lichte Gaard, in de dertiende eeuw de bisschoppelijke zaal. De hiervóór genoemde bisschopstoren stond mogelijk op de zuidwesthoek van de burcht aan de Donkere Gaard, die in de dertiende eeuw Supra turrim of Opten toern werd genoemd.[15] Toen bestond het bisschoppelijk paleis waarschijnlijk uit drie ongeveer haaks op elkaar staande vleugels, een langs de Servetstraat, een langs het Wed en een langs de Donkere Gaard. 

De burcht was met deze situering van keizerpalts en bisschopshof aan respectievelijk de noordwest- en de zuidwestkant zeer systema­tisch ingedeeld. Op de oost-westas in het midden bevonden zich de Borchbrug, de huidige Servetstraat en de Sint-Maartens- of domkerk, de hoofdkerk van het bisdom.

Tussen het midden van de elfde eeuw en het midden van de twaalfde werd de burcht aan de noord-, oost- en zuidzij­de uitgelegd door de oude burchtmuur waar nodig af te breken, de gracht te dempen en ongeveer 20 à 30 meter buiten deze gracht een nieuwe gracht te graven. Van een echte versterking lijkt geen sprake meer te zijn geweest. Het aldus afgebakende gebied had een opper­vlakte van ongeveer 175 x 200 à 225 meter (afb. 1). Aan de noordzijde bevond de nieuwe gracht zich ongeveer midden tussen het huidige Oudkerk­hof en Domplein, aan de oostzij­de langs Achter Sint-Pieter, dat de grens vormde tussen het territoir van de dom en dat van de toen nieuw gestichte kerk van Sint-Pieter, en aan de zuidzijde een aantal meters ten noorden van de tegenwoor­dige Trans. Het gebied ten zuiden daarvan kwam aan Sint-Paulus te behoren, een benedictij­nerabdij die omstreeks 1050 van elders naar Utrecht werd overgebracht. Een restant van de zuidelijke burchtgracht werd waar­schijnlijk aange­troffen bij archeologisch onderzoek in het pand Wed 5-7, dat in het eerste kwart van de dertiende eeuw gebouwd werd.[16]


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 1995-2012. - Hier gepubliceerd 2011; laatst bewerkt 18 september 2012.