Panorama Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Deze webpagina is een bewerking van ons artikel ‘Bonifatius en de Utrechtse kerk’ in de afscheidsbundel voor prof. dr. C. Dekker: De kerk en de Nederlanden. Archieven, instellingen, samenleving (Hilversum 1997) 43-65. Uitvoeriger is onze nog verkrijgbare publicatie Bonifatius en de kerk van Nederland. Hierin wordt een overzicht gegeven van de kerstening en de vroege kerkenbouw in Utrecht.
Bonifatius als bouwer van de Utrechtse Sint-Salvatorkerk
door Charlotte Broer en Martin de Bruijn

Manipulatie, oorkondenvervalsing, geschiedvervalsing, leugens, vooringenomenheid, agressiviteit... Dit alles verwijten enkele mediëvisten Bonifatius aangaande de rol die hij met betrekking tot de Utrechtse kerk heeft gespeeld. Maar is dat allemaal wel terecht?

Bonifatius heeft zich zeer voor het zelfstandig voortbestaan van de Utrechtse kerk ingespannen. Daarbij stond hem als ideaal voor ogen een zelfstandig, direct van Rome afhankelijk bisdom onder het patrocinium van Sint-Salvator. Hij wendde zich daarvoor tot de juiste instanties: de paus en de Frankische koning. Zijn inspanningen zijn maar ten dele geslaagd. Weliswaar wist hij de zelfstandigheid van Utrecht te handhaven, echter niet onder het door hem gewenste Romeinse patronaat van de Verlosser maar onder dat van de Frankische heilige Martinus.
[1] Aan andere aspecten, bv. de vraag of Bonifatius bisschop van Utrecht is geweest, is in het verleden al uitvoerig aandacht besteed. Zie C. van de Kieft, ‘Bonifatius en het bisdom Utrecht’, Tijdschrift voor Geschiedenis, 74 (1961), 42-63; R.R. Post, ‘Is Bonifacius bisschop van Utrecht geweest?’, t.a.p., 517-526, met naschrift van Van de Kieft, 526-532.

[2] Uitgegeven door R. Rau, Briefe des Bonifatius. Willibalds Leben des Bonifatius, nebst einige zeitgenössigen Dokumenten. Ausgewählte Quellen zur deutschen Geschichte des Mittelalters. Freiherr vom Stein-Gedächtnisausgabe, IVb (Darmstadt 1968), nr. 109. Ook in S. Muller Fz. en A.C. Bouman uitg., Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 [OSU] I (Utrecht 1920), nr. 42. Voor de vertaling hebben we gebruik gemaakt van de Duitse vertaling in de uitgave van Rau en de Nederlandse van P. Bange in A.G. Weiler, Willibrords missie. Christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw (Hilversum 1989) 213.

[3] M. Gysseling en A.C.F. Koch uitg., Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta [DB] I (Brussel 1950), nr. 173.

[4] Ald. nr. 175.

[5] Uit een bevestigingsoorkonde van 1 april 948 (DB I, nr. 191) voor bisschop Balderik blijkt dat het voorrecht zich toen uitstrekte over het hele bisdom: decimam partem omnium regalium prediorum et theloneorum et monetarum, quę intra sui episcopatus terminos exiguntur. In de tijd van Willibrord en Bonifatius was er echter nog geen sprake van een bisdom met afgebakende grenzen.

[6] DB I, nr. 176 (gedateerd tussen eind 751 en 5 juni 754, Bonifatius’ sterfdag).

[7] O. Holder-Egger uitg., ‘Liudgeri vita Gregorii abbatis Traiectensis', in: Monumenta Germaniae Historica. Scriptores XV-1 (Hannover 1887) 66-79.

[8] W. Diekamp uitg., Die Vitae sancti Liudgeri. Die Geschichtsquellen des Bisthums Münster 4 (Munster 1881).

[9] Voor een nieuwe interpretatie van het Romeinse materiaal zie L.R.P. Ozinga e.a., Het Romeinse castellum te Utrecht (Utrecht 1989), waar op p. 55-56 een deel van die resten op de vroege middeleeuwen wordt gedateerd. Dit werk bevat, 174-189, een bibliografie met onder meer de uitgegeven opgravingsverslagen. Enkele daarvan zijn opnieuw gepubliceerd in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1926-1972 (z.pl., z.j.) 50-79. Een overzicht van de middeleeuwse vondsten is te vinden bij E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De dom van Utrecht. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, II, De provincie Utrecht, 1ste st., De gemeente Utrecht, afl. 2. (’s-Gravenhage 1965) 148-150, 156 en 162-167. Een broodnodige nieuwe interpretatie, aangevuld met een analyse van het werkmateriaal van de archeoloog A.E. van Giffen, laat ten dele nog steeds op zich wachten. Zie de webpagina
Op en rond het Domplein.

[10] Voor een uitvoerige beargumentering daarvan verwijzen we naar onze publicaties. Zie hiervoor de pagina
Coproducties.

[11] Zie hiervoor de webpagina
Van tempeltje tot kathedraal.

[12] Zie de bijlage bij deze pagina.

[13] Zie hiervóór.

[14] Zie de webpagina over de
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.

[15] Volgens de domtafelen gebeurde dit onder de schijnkoning Hilderik, met wie waarschijnlijk Chilperik II bedoeld is, die vanaf 719 in Austrasië koning was. Zie de webpagina Van tempeltje tot kathedraal.

[16] DB I, nr. 173.

[17] De hierna volgende gegevens zijn vooral ontleend aan de door Willibald geschreven vita (afgedrukt in Rau, Briefe des Bonifatius, 451-525). Zie verder bv. Th. Schieffer, Winfrid-Bonifatius und die christliche Grundlegung Europas (Freiburg i.B. 1954) 109-119; en P.P.V. van Moorsel, Willibrord en Bonifatius. Fibulareeks 28 (Bussum 1968) 50-54.

[18] Schieffer, Winfrid-Bonifatius, 118; Van Moorsel, Willibrord en Bonifatius, 54.

[19] Zie de webpagina
Van tempeltje tot kathedraal.
Inleiding

‘Maar de vorst der Franken Karloman heeft deze zetel aan mij toevertrouwd om er een bisschop te benoemen en te wijden. Dat heb ik ook gedaan.’

Deze woorden staan in een brief die Bonifatius, aartsbisschop en pauselijk legaat in Germanië, eind 752 of begin 753 schreef aan paus Stephanus II. Ze hebben betrekking op Bonifatius’ werkzaamheid ten behoeve van de nog jonge Utrechtse kerk, die door het overlijden van Bonifatius’ leermeester en collega Willibrord in 739 zonder herder was geraakt. Op deze webpagina willen we aandacht besteden aan de betekenis die de ‘apostel van Duitsland’ voor de opbouw van de kerk van Utrecht gehad heeft. Hierbij willen we met name Bonifatius’ rol als kerkstichter in Utrecht nader belichten.
[1]

De bronnen

De bronnen waarover we voor deze periode beschikken zijn minder schaars dan wel eens gedacht wordt. Om te beginnen hebben we de zojuist genoemde brief. Aangezien dit schrijven van Bonifatius aan de paus gedetailleerde informatie over de vroege geschiedenis van de Utrechtse kerk bevat, hebben we hem voor een beter begrip integraal en met Nederlandse vertaling als bijlage bij deze webpagina afgedrukt, naar het oudst bewaarde, uit de negende eeuw daterende handschrift.[2]

Behalve deze brief zijn er oorkonden bewaard gebleven. In de eerste plaats dient genoemd te worden een oorkonde van 1 januari 723, waarin hofmeier Karel Martel aan het klooster in de burcht Traiectum, waar Willibrord aan het hoofd stond, die burcht zelf met het omliggende gebied en daarnaast ook nog het nabijgelegen fort Vechten aan de Utrechtse kerk schonk.[3] Verder werd in een oorkonde van 23 mei 753, dus uit dezelfde tijd als de brief van Bonifatius, een belangrijke schenking aan de Utrechtse Sint-Maartenskerk bevestigd. Deze schenking was volgens deze bevestigingsoorkonde eertijds door de hofmeier Pippijn (de Middelste; 687-714) gedaan en door zijn opvolgers Karel (Martel; 717-741) en Karloman (741-747) en door koning Pippijn zelf - denkelijk nog als hofmeier vóór zijn kroning tot koning in 751 - bevestigd.[4] De schenking betrof het tiende deel van de koninklijke inkomsten, waarschijnlijk uit een betrekkelijk groot gebied.[5] Tot slot beschikken we over een oorkonde uit dezelfde tijd, waarin de immuniteit van de Utrechtse kerk wordt bevestigd.[6] In dat stuk wordt verwezen naar de verlening en bevestiging van het immuniteitsrecht door twee Merovingische koningen.

Naast deze oorkonden zijn enkele heiligenlevens overgeleverd die betrekkelijk kort na Willibrord en Bonifatius geschreven zijn door personen die goed in Utrecht bekend waren. Het betreft de vita van abt Gregorius, die de Utrechtse kloostergemeenschap leidde tot zijn dood in 774, welk leven geschreven werd door zijn leerling Liudger.[7] Ook hebben we een levensbeschrijving van deze Liudger zelf, die afkomstig was uit Zwesen bij Utrecht. Deze vita was geschreven door zijn achterneef Altfried, die waarschijnlijk eveneens uit het Utrechtse stamde.[8]

Behalve over geschreven bronnen beschikken we ook over materiële resten. Bij opgravingen op het Domplein in Utrecht is Romeins en vroegmiddeleeuws muurwerk aangetroffen.[9] Tot slot kunnen Utrechtse gegevens uit later tijd – gebouwen, geschiedschrijving, liturgische bronnen en dergelijke – licht werpen op de vroegere periode.

Om tot een betrouwbaar beeld van de vroege Utrechtse kerk te komen, is het naar onze overtuiging noodzakelijk om al deze gegevens, gewogen naar hun betekenis, vanuit zo veel mogelijk invalshoeken in hun samenhang te belichten en te plaatsen in de context van meer algemene gebeurtenissen in de tijd waarover ze handelen. We hebben deze methode gevolgd met betrekking tot het vraagstuk van de eerste Utrechtse kerken, welke problematiek de afgelopen jaren van verschillende zijden aandacht heeft gekregen. Deze benadering heeft voor de geschiedenis van de Utrechtse kerk tot aan de dood van Willibrord een beeld opgeleverd waarvan we hier een samenvatting laten volgen.[10]

De vroegste geschiedenis van de Utrechtse kerk

In het tweede kwart van de zevende eeuw werd onder de Merovingische koning Dagobert I (623-639) een kerk gebouwd binnen de burcht Traiectum. Dit gebeurde op de plaats van het schip van de latere domkerk, vermoedelijk op de resten van een Romeins tempeltje.[11] Deze eerste kerk, die gewijd was aan de apostel Thomas, werd met de burcht geschonken aan de bisschop van Keulen. Deze zou daarbij volgens Bonifatius de opdracht hebben gekregen om de nog heidense Friezen te bekeren.[12] Hoe dit ook zij, zeker is dat hiervan niets terecht kwam; de Friezen heroverden de burcht Traiectum en de kerk werd rond het midden van de zevende eeuw verwoest.

Nadat tegen het eind van die eeuw, omstreeks 690, de burcht opnieuw door de Franken veroverd werd, kwam de Angelsaksische missionaris Willibrord met een aantal gezellen naar Utrecht. In 695 werd hij door de paus tot aartsbisschop van de Friezen gewijd. Gesteund door de Frankische machthebbers – al in deze periode ontving hij van hofmeier Pippijn het tiende deel van de opbrengsten van de koninklijke domeinen  – [13] begon hij zijn missioneringswerk en bouwde binnen de burcht een kerk die hij aan Sint-Salvator wijdde. Dit gebouw stond ongeveer op de plaats van de latere Heilig-Kruiskapel. Waarschijnlijk ging het om een deel van het Romeinse hoofdgebouw.[14] In deze Sint-Salvatorkerk wijdde Willibrord de eerste doopvont.

Omstreeks 714, na de dood van hofmeier Pippijn de Middelste, veroverden de Friezen opnieuw de burcht, maar al enkele jaren daarna, in 718, werden zij definitief verslagen door diens opvolger Karel Martel. De Utrechtse kerk ontving kort hierop belangrijke schenkingen. Het betrof in de eerste plaats de verlening van immuniteitsrecht door koning Chlotarius IV (718-719) en de bevestiging daarvan door koning Theuderik IV (721-737). Verder werd de eerder door hofmeier Pippijn de Middelste (687-714) gedane schenking van het tiende deel van de koninklijke inkomsten door zijn opvolger hofmeier Karel Martel (717-741) bevestigd. Waarschijnlijk heeft Willibrord ongeveer te zelfder tijd, rond 720, de verwoeste Sint-Thomaskerk vanaf de fundamenten herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd.[15] Op 1 januari 723 werden de burchten Traiectum en Vechten met het omliggende gebied aan de Utrechtse kerk geschonken.[16] Willibrord overleed hoogbejaard in 739 en werd in zijn klooster Echternach begraven.
[20] Dit besluit is opgenomen in Rau, Briefe des Bonifatius, 378-379.

[21] Schieffer, Winfrid-Bonifatius, 143-145.

[22] Ald. 157.

[23] Ald. 174.

[24] Zie bv. Hoekstra, ‘Enkele kanttekeningen’, 41.

[25] Zie de bijlage bij deze pagina.

[26] DB I, nr. 174. We hebben dit gecorrigeerd in onze publicatie Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) 88-89, nt. 186. De schenking op 1 januari 723 (DB I. nr. 173) van de Utrechtse burcht door Karel Martel werd gedaan aan het Utrechtse monasterium, zonder dat daarbij aangegeven werd welke patroon dit klooster had.

[27] Rau, Briefe des Bonifatius, 376 en 378.

[28] Ald. nr. 73; Schieffer, Winfrid-Bonifatius, 209, 238 en 270.

[29] Rau, Briefe des Bonifatius, nrs. 34 (735); 36 (732-745); 41 (738); ald. 512 (vita door Willibald): Et multa iam milia hominum virorum ac mulierum sed et parvulorum cum commilitone suo chorepiscopo Eoban baptizavit (quem ad subveniendum suae senilis aetatis debilitate Fresonis, iniuncto sibi episcopio in urbe qui vocatur Trecht subrogavit). Opmerkelijk is dat hier sprake is van ‘het bisschopsambt in – niet van – de burcht (of stad) die Trecht genoemd wordt’. Zie over Eoban ook Schieffer, Winfrid-Bonifatius, 254 en 272-273.

[30] Zie vooral Liudger, ‘Vita Gregorii’; verder Schieffer, Winfrid-Bonifatius, 140, 209, 270.

[31] In een bevestigingsoorkonde van de tiendschenking door Karel de Grote op 1 maart 769 werd hij zelfs episcopus genoemd (DB I, nr. 177).

[32] Zie zijn vita in Rau, Briefe des Bonifatius, 451-525.

[33] Zie W. Levison uitg., Vitae sancti Bonifatii, archiepiscopi Moguntini. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum (Hannover en Leipzig 1905); en P. Kehl, Kult und Nachleben des heiligen Bonifatius im Mittelalter (754-1200). Quellen und Abhandlungen zur Geschichte der Abtei und der Diözese Fulda XXVI (Fulda 1993), passim.

[34] Uitgegeven door Bruch, H., Chronographia Johannis de Beke. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, gr.s. 143 (’s-Gravenhage 1973).

[35] Ald., Inleiding V-VII.

[36] Eveneens uitgegeven door H. Bruch, Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, gr.s. 180 (’s-Gravenhage 1982).

[37] Ald., Inleiding IX-X. Zie ook hierna.

[38] Aldus de domtafel van omstreeks 1300 die in het schip van de domkerk hing (zie hiervóór) en Beke, Chronographia, c. 4 (Croniken, c. IV).

[39] Beke, Chronographia, c. 9 (Croniken, c. IX). Het Heilig-Kruispatrocinium is al te vinden bij Thiofried van Echternach in zijn van omstreeks 1105 daterende vita van Willibrord (A. Poncelet uitg., ‘Vita s. Willibrordi, auctore Thiofrido abbate Epternacensi’, in: Acta Sanctorum. Novembris III (Brussel 1910) 414-500, ald. 465: Non procul a ripa Rehni fluminis dificavit et dedicavit oratorium in honorem crucis salutiferę et theoticos Marię virginis perpetuę. Zie ook de webpagina
► De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.

[40] Terecht heeft Van Winter, ‘Strijdvragen’, 89, gesteld dat Beke Sint-Salvator en het Heilig Kruis als patrocinia gelijkstelt. Behalve het door Beke geschetste beeld – te vinden in Chronographia, c. 9 (Croniken, c. IX); voorts c. 15B (XVI); en c. 54e (LI) – pleiten vóór een identificatie van de kapel of een voorganger daarvan met de eerste, door Willibrord gestichte Sint-Salvatorskerk de volgende gegevens en argumenten: 1. de patrocinia van het Heilig Kruis en Sint-Salvator zijn nauw aan elkaar verwant; 2. de kapel behoorde vanouds tot Oudmunster en werd beheerd door de proost van dit kapittel (aldus al een oorkonde van omstreeks 1220 (OSU II (uitg. K. Heeringa; ’s-Gravenhage 1940), nr. 687); zie ook C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten (Utrecht 1995); 3. de kapel speelde een zekere rol in de liturgie van Oudmunster (zie bv. E. van Welie, ‘Omnes canonici. Een verkenning van de Utrechtse stadsliturgie', Bulletin KNOB 93 (1994), nr. 4/5, 186-192, ald. 190 en 191, nt. 39). Tegen een vereenzelving van de kapel met de eerste Sint-Maartenskerk is het volgende aan te voeren: 1. van een verplaatsing van de Sint-Maartenskerk is nergens in de middeleeuwse bronnen sprake; 2. het domkapittel heeft er nooit aanspraak op gemaakt dat de Heilig-Kruiskapel een voorganger van de dom is geweest; 3. de kapel speelde geen enkele rol in de liturgie van de domkerk.



Overzicht eerste kerken
De situering van de kerken op het Utrechtse Domplein.
A: Het Romeinse hoofdgebouw waarin zich waarschijnlijk de Sint-Salvator van Willibrord bevond. In de tiende eeuw werd daar de Heilig-Kruiskapel, die vanouds behoorde tot het kapittel van Sint-Salvator of Oudmunster, half overeen gebouwd.
B: De plaats van de door koning Dagobert (623-639) gebouwde Sint-Thomaskerk. Na verwoesting door de Friezen werd zij – waarschijnlijk omstreeks het jaar 720 – door Willibrord vanaf het fundament herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd. De omtrekken van deze kerk zijn niet bekend, maar ter plaatse zijn vroegmiddeleeuwse fundamentresten gevonden waarvan de jongste fase (periode VIc) op de (post-)Karolingische tijd is gedateerd.
C: De vermoedelijke omtrekken van de omstreeks 745 door Bonifatius naast ‘het eerste bedehuis van Sint-Salvator’ gebouwde nieuwe Sint-Salvator- of Oudmunsterkerk. In later eeuwen is zij aanmerkelijk vergroot.




[41] Zie de webpagina over de
► 
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.


[42] Aldus Bonifatius in zijn brief aan de paus uit 752/53 (zie de bijlage); de domtafel (zie de webpagina Van tempeltje tot kathedraal) en Beke, Chronographia, c. 10 (Croniken, c. X).


[43] Beke, Chronographia, c. 15a; Croniken, c. XVI.

Bonifatius’ eerste en tweede verblijf in Utrecht[17]

Bonifatius kwam voor de eerste keer in Utrecht in 716, toen de burcht in handen van de Friezen was. Hij ontmoette de Friese koning Radboud, maar toen hij zag dat hij er als missionaris weinig kon uitrichten, is hij weer vertrokken en keerde pas terug nadat de burcht enkele jaren later weer in Frankische handen was gekomen en Willibrord er zijn missioneringswerk had hervat. Na eerst in 718/19 een bezoek aan de paus in Rome te hebben gebracht en in dat laatste jaar korte tijd in Thüringen te zijn geweest, werkte hij gedurende enkele jaren, tot 721, in Utrecht met Willibrord samen, maar in dat jaar vertrok hij naar Hessen en Thüringen om er zelfstandig de missionering aan te pakken.

Bonifatius’ levensbeschrijver Willibald vermeldt dat er tijdens het verblijf van Bonifatius in Utrecht onenigheid tussen beide missionarissen is ontstaan. Als reden daarvoor geeft hij aan dat Willibrord aan Bonifatius de bisschoppelijke waardigheid had aangeboden, maar dat deze dit had geweigerd omdat hij nog geen vijftig jaar oud was. In de literatuur wordt dit weinig aannemelijk geacht, omdat die leeftijdsgrens niet gegolden heeft. Opmerkelijk is dat, hoewel er een aanzienlijke hoeveelheid brieven van Bonifatius bewaard is gebleven, daar geen correspondentie met Willibrord bij is. Als mogelijk echte reden voor het vertrek van Bonifatius wordt een verschil van inzicht gesuggereerd tussen hem en Willibrord over de aard en de vorm van het missioneringswerk.[18] Het is niet uitgesloten dat de sterk op Rome georiënteerde Bonifatius – we komen daar nog op terug – vond dat Willibrord zich te veel met de Frankische machthebbers heeft ingelaten. De herbouw van de Sint-Thomaskerk en de wijding aan Sint-Maarten, de schutspatroon van de Frankische koningen, kan daarbij een rol hebben gespeeld. Waarschijnlijk heeft die herbouw juist plaatsgehad in de periode dat Bonifatius in Utrecht was, zo omstreeks het jaar 720.[19]

Nieuwe bemoeienis met Utrecht


Pas na de dood van Willibrord in 739 ging Bonifatius zich opnieuw met de Utrechtse kerk bezighouden. Zoals we in de inleiding van dit artikel gezien hebben, had hij volgens eigen zeggen van hofmeier Karloman, die in 741 het bestuur van het Frankische rijk op zich had genomen, opdracht gekregen om er een bisschop te benoemen en te wijden. De aanstelling van een nieuwe bisschop zal al in of kort na 741 hebben plaatsgevonden. ‘Volgens de raad van de priesters en van mijn groten hebben wij in de afzonderlijke steden bisschoppen ingezet en boven hen als aartsbisschop Bonifatius gesteld, de afgezant van de heilige Petrus’, verkondigde Karloman op een kerkvergadering, het Concilium Germanicum, van 743.[20] Deze uitspraak wordt doorgaans in relatie gebracht met bisschopsbenoemingen in Hessen en Thüringen, maar hij zal ook betrekking hebben gehad op Utrecht.

In deze periode had Bonifatius grote invloed binnen de kerk. Al onmiddellijk na zijn vertrek uit Utrecht was hij in Rome tot missiebisschop gewijd.[21] In 732 had hij net als Willibrord destijds het pallium verkregen en was hij aartsbisschop zonder vaste zetel geworden met de opdracht om bisschoppen te wijden.[22] Na een nieuwe Romereis in 738 was hij aangesteld tot pauselijk legaat in Germanië.[23]

Vanuit die machtige positie kon Bonifatius zich in 741 met de Utrechtse kerk gaan bezighouden. Hier was nog geen sprake van een gewoon canoniek bisdom met vaste grenzen; Willibrord was aartsbisschop der Friezen geweest, met als zetel Utrecht. Binnen de burcht stonden toen echter al twee kerken: de door Willibrord gestichte Sint-Salvatorkerk en de door deze missionaris herbouwde en vervolgens aan Sint-Maarten gewijde Sint-Thomaskerk van koning Dagobert.

Aan welke kerk was in die tijd die bisschoppelijke zetel verbonden? Er is gesteld dat die sedes episcopalis niet aan een kerk toegeschreven mag worden.[24] Maar dat is om te beginnen in strijd met wat Bonifatius in zijn brief aan de paus daarover meedeelt. Bonifatius koppelt daarin de bisschopszetel uitdrukkelijk aan de kerk van Sint-Salvator, Willibrords eerste stichting. Hij zegt daarin namelijk dat Willibrord in de burcht Traiectum ‘een bisschopszetel en een kerk ter ere van de heilige Verlosser’ gevestigd had en dat hij ‘in die zetel en kerk’ was blijven prediken.[25] Hiermee kan niet de Sint-Maartenskerk bedoeld zijn, want deze laatste komt pas verderop in de brief ter sprake.

In ons artikel 'Bonifatius en de Utrechtse kerk' van 1995 hebben wij, ald. 56 en 59,  ter ondersteuning van het patronaat van Sint-Salvator voor de Utrechtse kathedraal verwezen naar een oorkonde uit 726, waarin hofmeier Karel Martel een schenking deed aan deze kerk. Het ging hierbij echter om een schenking aan de Sint-Salvatorkerk van Elst.[26]

De bisschop die Bonifatius in of kort na 741 in Utrecht aanstelde, was wellicht Dadanus, die met Bonifatius en de bisschoppen van Würzburg, Büraburg, Erfurt, Keulen en Straatsburg aanwezig was op het Concilium Germanicum[27], of Wera, die in 746/47 in een brief als coepiscopus wordt vermeld.[28] Aangenomen wordt dat het overlijden van Dadanus of Wera geleid heeft tot de aanspraken van Keulen op de Utrechtse kerk. Dit overlijden kan dan op 752/53 of kort daarvoor worden gesteld. Waarschijnlijk heeft Bonifatius hierna Eoban aangesteld als corepiscopus (‘koorbisschop’, dit wil in deze periode zeggen hulpbisschop). Eoban behoorde tot degenen die in 754 met Bonifatius bij Dokkum werden vermoord.[29]

Uiterlijk in 747 was inmiddels in Utrecht de Frank Gregorius tot abt van het monasterium aangesteld.[30] Deze werd na de dood van Bonifatius en Eoban als het hoofd van de Utrechtse kerk beschouwd.[31] 

De bouw van een nieuwe Sint-Salvatorkerk

Bonifatius heeft zich in Utrecht niet beperkt tot de aanstelling van (koor)bisschoppen; hij heeft er hoogstwaarschijnlijk ook een kerk laten bouwen. We treffen dit gegeven niet in een vroege bron aan. Afgezien van enkele met name genoemde kerken en kloosters in Hessen en Thüringen, spreekt zijn levensbeschrijver Willibald slechts van de bouw van kerken in algemene zin, ook voor de Friese missie.[32] Dat hoeft op zich niet te verbazen, omdat Willibald priester was in Mainz en niet uit de kuststreek of het gebied van de Nederrijn afkomstig was. De latere hagiografen van Bonifatius hebben zich op het werk van Willibald gebaseerd, zodat we in die vitae maar weinig gegevens over Utrecht aantreffen, ook al zijn enkele van die levensbeschrijvingen mogelijk daar vervaardigd.[33]

Pas in een veel latere bron vinden we vermeld dat Bonifatius in Utrecht een kerk gebouwd heeft. Het betreft de rond het midden van de veertiende eeuw door Jan Beke onder de titel Chronographia geschreven kroniek van het Sticht Utrecht en het graafschap Holland.[34] Beke, die geldt als de belangrijkste middeleeuwse geschiedschrijver van Holland en Utrecht, schreef vermoedelijk vanuit de abdij Egmond.[35] Aan het eind van de veertiende eeuw verscheen onder de titel Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant een vertaling van het werk[36] door een anonieme auteur, die waarschijnlijk in Utrecht geplaatst moet worden.[37]

Nu heeft zo’n late bron op zichzelf misschien weinig waarde. Maar het is ook verkeerd om er bij voorbaat van uit te gaan dat zij onjuiste informatie bevat. Wij geven er de voorkeur aan haar kritisch te toetsen aan de andere gegevens waarover we beschikken. Wanneer die in voldoende mate voorhanden zijn, valt een eventueel verkeerde voorstelling van zaken in een late bron vaak door de mand, omdat zij er min of meer mee strijdig is.

Als er nu inzake de vroege geschiedenis van de Utrechtse kerk, waarin we ook over andere en oudere bronnen beschikken, sprake is geweest van opzettelijk onjuiste mededelingen door of bij Beke, dan moet deze vervalsing zeer geraffineerd zijn geweest. Want het beeld dat bij hem uit de laatmiddeleeuwse gegevens over de oudste Utrechtse kerken oprijst, is consistent, en in grote lijnen in overeenstemming met de andere bronnen. Dit beeld ziet er als volgt uit: de oudste kerk in Utrecht was gewijd aan Sint-Thomas en heeft gestaan ter plaatse van het schip van de domkerk.[38] Naast de verwoeste resten van deze kerk heeft Willibrord een kerk gebouwd gewijd aan het Heilig-Kruis,[39] welk patrocinium gelijk is te stellen aan Sint-Salvator.[40] Zoals gezegd bestond deze kerk waarschijnlijk uit een deel van het Romeinse hoofdgebouw, waarin ook de geestelijkheid gehuisvest was.[41]

Vervolgens heeft Willibrord de verwoeste Sint-Thomaskerk herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd.[42] Volgens deze middeleeuwse visie stonden er dus ten tijde van Willibrord en Bonifatius in Utrecht twee kerken, een Heilig-Kruis- of Sint-Salvatorkerk en een Sint-Maartenskerk.

Jan Beke nu maakt melding van de bouw door Bonifatius van een ‘kerk van kloosterlijke kanunniken’ onmiddellijk naast wat hij in de betreffende passage van zijn werk ‘het eerste bedehuis van Sint-Salvator’ noemt. Hij doet dat op de volgende manier (links de tekst van Beke zelf; rechts de Middelnederlandse vertaling uit het eind van de veertiende eeuw):[43]

Hic ergo presul egregius [Bonifacius] divini nominis obsequium ampliare volens, condidit infra civitatem Traiectensem cenobitalium canonicorum ecclesiam, oratorio primordiali sancti Salvatoris vicinam et contiguam. Dese edel bisscop [Bonifacius] woude vermeren den dienst ons Heren ende stichte binnen der stat van Utrecht ene canonike cloosterkerke al vaste bi den iersten bedehuse des heilighen Verlossers.
Hec quidem ecclesia diversis tytulis privilegiata legitur, que vulgariter Antiquum Monasterium pro tanto forte dicitur, quoniam ecclesia Traiectensis aliquando renovata fuit, sed hec in edificio veteris structure permanens hactenus irrenovata duravit. Dese kerke heeft veel namen also men leest, mer ghemeenlike is si ghehieten Oudemunster, dat is lichte daerom dat die overste kerke van Utrecht onder tiden vermaket ende vernywet is, mer dese kerk is in horen ouden tymmer ghebleven tot nu toe ende niet vernywet.

Beke zegt dus dat Bonifatius binnen de stad Utrecht ‘een kerk van kloosterlijke kanunniken’ gebouwd heeft vlak naast ‘het eerste bedehuis van Sint-Salvator’ en dat deze kerk verschillende namen heeft, maar gewoonlijk Oudmunster wordt genoemd. De reden daarvan is volgens Beke dat deze kerk in haar oude staat gebleven is, terwijl de ‘ecclesia Traiectensis’ of ‘overste kerke’ - dit wil zeggen: de domkerk - ooit vernieuwd is.

De moord op Bonifatius
Twaalfde-eeuwse afbeelding van de moord op Bonifatius in Dokkum.
[44] Aldus J.M. van Winter, ‘Strijdvragen rond de oudste Utrechtse kerken', Nieuwsbrief Signum 7 (1995), 87-91, ald. 88-89. Zij heeft niet aangegeven welke kerk Beke dan wél heeft bedoeld met de door Bonifatius gebouwde cenobitalium canonicorum ecclesiam die Antiquum monasterium werd genoemd. Een ietwat andere versie van Van Winters betoog, die gepubliceerd moest worden in een Engels artikel, is te vinden bij T.J. Hoekstra, ‘Enkele kanttekeningen bij De eerste kerken in Utrecht', Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 10 (1996), 36-43, ald. 41. Van Winter zegt hier dat Beke een vergissing maakte door te stellen ‘dat Willibrords Sint Salvatorkerk geen klooster- of kapittelkerk was, maar alleen een bedehuis’. Zij ziet daarbij het vervolg van Bekes betoog over het hoofd, waarin deze melding maakt van de opvatting die bij ‘sommigen’ leefde, namelijk dat Willibrord eerst de Oudmunsterkerk met 80 prebenden had gesticht en er 40 had overgebracht naar de Sint-Maartenskerk. Over deze andere in Utrecht levende visie op het ontstaan van de Utrechtse kerk, waarbij niet aan Sint-Maarten maar aan Sint-Salvator de oudste kloostergemeenschap verbonden was, zie hierna.

[45] Uit de vele voorbeelden die daarvan zijn, kiezen we een tweetal oorkonden uit de tijd dat Beke zijn Chronographia (RAU, kapittel Oudmunster, 469-2 (1350 oktober 18)). Ook de uitgave van Beke en de vertaling, beide uit de veertiende eeuw, geven hiervan trouwens voorbeelden. In c. 84a van de schreef: Nos capitulum ecclesie sancti Salvatoris Traiectensis universis presencia visuris facimus manifestum - - - (RAU, kapittel Oudmunster, 974-4 (1344 december 24)), en: Wi Gheriit van Ameronghen, bi der ghenaden Goods proofst tot sinte Zeveriin te Colen ende canonic der kerken tOudemonster tUtrecht, maken kenliic allen luden - - - (RAU, kapittel Oudmunster 469-2 (1350 oktober 18)). Ook de uitgave van Beke en de vertaliing, beide uit de veertiende eeuw, geven hiervan trouwens voorbeelden. In c. 84a van de Chronographia wordt gesproken van Iohannem de Bronchorst prepositum sancti Salvatoris Traiectensis, terwijl de vertaling daarvan (Croniken, c. LXXIX) heeft: Johanne van Bronchorst, den proest van Oudemunster tUtrecht. Aldus ook de c. 86 en LXXXI.

[46] Beke, Chronographia, c. 54e; Croniken, c. LI.

[47] Zie Bruch in de inleiding bij de Croniken, IX-X.

[48] Zie de webpagina over de
► 
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.

[49] Zie hiervóór.

[49a] Liudger, ‘Vita Gregorii abbatis Traiectensis’, 79: iussit se ante oratorium Sancti Salvatoris a discipulis portari et ostium aperiri. Hiermee komt het verwijt van de  Utrechtse mediëviste J.M. van Winter (zie nt. 44) dat Beke de tekst al had aangepast, dat wij vervolgens Beke aanpasten en dat  hiermee dus sprake was van een ‘dubbele aanpassing’ volledig in de lucht te hangen. Al Liudger sprak in de achtste eeuw terecht van een oratorium en niet van een ecclesia. Wij op onze beurt hebben niets aangepast, maar ons
anders dan sommige andere onderzoekers gebaseerd op de bronnen.

[50] Zoals Bruch in zijn uitgave van de Nederlandse Beke, t.a.p., 19, terecht opmerkt, strookt de vertaling niet geheel met de Latijnse tekst, die luidt: Hec quidem ecclesia diversis tytulis privilegiata legitur (‘Men bevindt dat deze kerk met verschillende rechtstitels is bevoorrecht’). Aan de andere kant levert de wat vrije Middelnederlandse vertaling, die zegt dat de kerk verschillende benamingen had maar gewoonlijk Oudmunster werd genoemd, een logischer gedachtengang op dan de Latijnse.

[51] In oorkonden van 944, 1046 en 1122 werden de moeder van Christus en alle heiligen als kerkpatroons vermeld (OSU, I, nrs. 106 (944 juli 7); 200 (1046 mei 22); en 306 (1122 mei 26)), terwijl in de tijd van bisschop Ansfried (995-1010) Maria alleen als patroonheilige genoemd wordt (ald. nr. 143). Sint-Salvator komt vanaf 1108 weer in de bronnen voor (ald. nr. 278): ad ecclesiam sancti Salvatoris, que Vetus dicitur.

[52] Dit patrocinium wordt voor het eerst vermeld in 1040 in het verbroederingsboek van de abdij Sankt-Gallen (P. Piper uitg., Libri confraternitatum Sancti Galli Augiensis Fabariensis (Berlijn 1884) 74.

[53] OSU III (F. Ketner uitg.; ’s-Gravenhage 1949), nr. 1315 (1253 oktober 27).

[54] Haslinghuis en Peeters, De dom van Utrecht, 146.

[55] Volgens de beschrijving van de kanunnik Jan Mersman in 1592 (J.H. Hofman, ‘Oud-Munsterkerk te Utrecht', Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 1 (1875), 337-385, ald. 359-360: ad primam basin ex opposito chori stabat imago sancti Salvatoris cum candelabro et cereo - - -, ad alteram sinistram molem statua beati Bonifacii cum candelabro et cereo.

[56] Zo beschouwde ook de Utrechter Arnoud van Buchel (1565-1641) in zijn ‘Traiecti Batavorum descriptio’ (uitg. S. Muller Fz.), Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 27 (1906) 131-269, ald. 185, de door Bonifatius gebouwde kerk als een Sint-Salvatorskerk: Proximum est spatio temporis et loci templum Servatori sacrum, hactenus Vetus monasterium, vulgo Oudemunster, appellatum, cujus author olim fuerat divus Bonifacius, qui collegio 40 canonicorum illud ab initio honestaverat.

[57] Zie de webpagina over de
De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel.

[58] De door Beke genoemde aantallen zijn moeilijk ernstig te nemen. Waarschijnlijk zijn ze gebaseerd op de situatie in Bekes tijd, toen de dom 40 prebenden telde. Volgens Beke zou bisschop Bernold (1027-1054) de helft van de kanunniken van Oudmunster overgeplaatst hebben naar het kapittel van Deventer (Chronographia, c. 45). In de tijd van Beke telde Oudmunster inderdaad 20 prebenden.

[59] Chronographia, c. 10: in fundo basilice sancti Thome prope castrum Traiectense canonicorum cenobitalium construxit ecclesiam, in qua cathedalem sedem stabiliri iussit; Croniken, c. X: Ende optie selve stede daer sunte Thomas kerke hadde ghestaen bi den casteel tUtrecht, dede hi maken ene cloesterkerke van canonicken. Ende daerin gheboot hi te stane stadelike des bisscops stoel.

[60] Dit heeft Van Winter, ‘Strijdvragen’, 88, terecht opgemerkt, maar zij heeft dit gegeven niet in de context geplaatst van de problematiek die Beke aan de orde stelde.

[61] Deze opvatting treft men bv. aan in een door de elect Jan van Nassau verleende aflaat ten behoeve van de bouw van de dom van 8 september 1288 (OSU IV, nr. 2349): matricem ecclesiam nostram Traiectensem, omnium ecclesiarum civitatis et dyocesis Traiectensis matrem primitivam. In een oorkonde van 3 februari 1219 wordt echter vermeld dat deken en kapittel van Sint-Bonifatius van Oudmunster dus vanaf de eerste stichting van de domkerk een bijzondere broederschap met die kerk hadden gehad (OSU II, nr. 662): Quoniam a prima fundatione Maioris ecclesie Traiectensis decanus et capitulum sancti Bonifacii Traiectensis fraternitatem specialem cum Maiori ecclesia predicta habuit - - -. Hierin was de gemeenschap van Oudmunster dus minstens even oud, zo niet ouder dan die van de dom.

[62] Rau, Briefe des Bonifatius, nr. 109. Zie ook de bijlage.

[63] Beke, Chronographia, c. 16 (Croniken, c. XVII): - - - [Willibrordus heeft] der afgode temple ghebroken ende kerken ghesticht, die overste kerke tot Utrecht in die ere sunte Martijns ende een ander kerke in die ere des heilighen cruces in der stede daert casteel staet dat Utrecht hiet.

[64] Waar Van Winter, ‘Strijdvragen’, 88, van is uitgegaan.

[65] Zie hierna.

[66] Zie de bijlage.

[67] OSU I, nr. 278: ecclesia sancti Salvatoris in Traiecto, que vetus dicitur; a.w. II, nr. 932 (1238 december 16): ecclesia sancti Salvatoris in Traiecto, quae vetus monasterium nuncupatur.

[68] OSU I, nr. 184 (1026 juli 21-1044 april 19), in een toegevoegde getuigenlijst die uit iets latere tijd dateert. Dat deze vermeldingen pas sinds de elfde eeuw voorkomen, zegt vanzelfsprekend niets over de traditie.

[69] Zie C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2000) 61-77.

[70]   Deze regeling is afgedrukt in Rau, Briefe des Bonifatius, nr. 60 (745 oktober 31).

[71] In het schip van de latere Oudmunsterkerk zijn funderingsresten teruggevonden, die waarschijnlijk deel hebben uitgemaakt van het koor van deze kerk (zie R.J. Stöver, ‘De afmetingen van de Salvator- of Oudmunsterkerk in de afbeeldingen in de Monumenta van Van Buchel en in de Collectie Booth: toetsing en interpretatie aan de hand van opgravingsresultaten', Bulletin KNOB 93 (1994), nr. 4/5, 169-185, ald. 179-185; dezelfde, De Salvator- of Oudmunsterkerk te Utrecht. Stichtingsmonument van het bisdom Utrecht. Clavis Kunsthistorische Monografieën XVI (Utrecht 1997) passim. Deze auteur gaat er overigens zonder de bron te vermelden en zelfs zonder nadere argumentatie van uit dat deze kerk door Willibrord gebouwd is.

[72] Schieffer, Winfrid-Bonifatius, 225-228.

[73] Ald. 232-233.

[74] Zie hiervóór.

 [75] Van Moorsel, Willibrord en Bonifatius, 82. Zie hiervóór.



Reconstructie Sint-Salvator
Reconstructie van de door Bonifatius gebouwde kerk van Sint-Salvator of Oudmunster in haar oorspronkelijke gedaante. Bewerkt naar Stöver, De Salvator- of Oudmunsterkerk, 194.



[76] Deze visie op de handelwijze van Bonifatius is in 1975 geuit door J.M. van Winter in haar artikel ‘Utrecht aan de Rijn. Middeleeuwse Rijnloop en wordingsgeschiedenis van de stad Utrecht’, Jaarboek Oud-Utrecht 1975, 44-72, ald. 69-70.

[77] DB I, nr. 176.

[78] Hier zijn bv. H.L. de Groot en R. Rijntjes nog van uitgegaan (H.L. de Groot, ‘De Heilige Kruiskapel te Utrecht. Die Tatsachen bleiben, die Interpretation schwänkt’, Bulletin KNOB 93 (1994), nr. 4/5, 135-149, ald. 135 en 147, nt. 7 en 8; en R. Rijntjes, ‘De ecclesiola in het Utrechtse castellum. Bouwhistorische interpretatie van de resten van de Heilig-Kruiskapel', Bulletin KNOB 93 (1994), nr. 4/5, 150-161, ald. 157 en 160, nt. 19). Ook deze auteurs negeren de geschreven bronnen vrijwel geheel.

[79] Zie de webpagina

Van tempeltje tot kathedraal.
Oudmunster en zijn patrocinia

Er is gesteld dat Bonifatius in Utrecht weliswaar naast ‘het eerste bedehuis van Sint-Salvator’ een kapittelkerk gebouwd heeft en dat deze kerk, die verschillende patroonheiligen had, door Beke Oudmunsterkerk werd genoemd, maar dat hij daarmee geen kerk van Sint-Salvator bedoelde.[44] Dit laatste nu mag hoogst onwaarschijnlijk worden genoemd. In de tijd waarin Beke leefde, werden de namen Sint-Salvator en Oudmunster voor dezelfde kapittelkerk namelijk door elkaar gebruikt. In Latijnse stukken van het kapittel zelf wordt, voor zover we hebben kunnen nagaan, steeds gesproken van de ‘ecclesia sancti Salvatoris Traiectensis’, terwijl in de Nederlandstalige bronnen van het kapittel bij voortduring sprake is van de ‘kerke tOudemonster tUtrecht’.[45]

Dat Jan Beke met de kerk van Oudmunster wel degelijk de kerk van Sint-Salvator bedoelde, blijkt bijvoorbeeld uit zijn weergave van een brand die in 1148 onder andere de Heilig-Kruiskapel trof:[46]

Est autem capella primordialis contigua templo sancti Salvatoris, edificata tempore beati Clementis in honore sancte Crucis, quam edax flamma cum omnibus infra contentis exussit - - -. Die ierste capelle die vaste bi sunte Salvatoors kerke staet ende bi Clemens tiden die Willibrordus hiet ghesticht wart in die ere des heilighen cruces, die verbernde mede ende aldat daer in was - - -.

Beke heeft het dus over de door Willibrord gebouwde ‘eerste kapel’, gewijd aan het Heilig Kruis, en de daarnaast staande Sint-Salvator. Vervolgens vertelt Beke over een kruisbeeld in de kapel dat voor de brand gespaard bleef en plechtig naar ‘de kerk’ werd overgebracht. De goed in Utrecht bekende vertaler[47] specificeert: ‘in sunte Salvatoors kerke, daert noch staet’.

Dat Beke hier en elders voor het eerste bedehuis spreekt over een kapel door Willibrord gewijd aan het Heilig Kruis en niet, zoals Bonifatius doet in zijn brief aan de paus, over een eerste kerk gewijd aan Sint-Salvator, komt omdat in de tijd waarin Beke leefde dit gebouwtje al sinds lang – mogelijk al sinds de bouw door Bonifatius van een nieuwe Sint-Salvatorkerk – aan het Heilig Kruis gewijd was.[48] Thiofried van Echternach, die omstreeks 1105 het leven van Willibrord beschreef, sprak al van de bouw door Willibrord van een kerk gewijd aan het Heilig Kruis en aan Maria.[49]

Aanvulling uit 2012:
Dat Beke sprak van een oratorium, een bedehuis, en een capella, een kapel, en niet van een ecclesia, een kerk, komt omdat het gebouw al sinds de bouw van de nieuwe Sint-Salvator door Bonifatius geen kerk meer was. Beke deed dit overigens niet op eigen gezag. Al de Utrechtse missionaris Liudger, die nog in de achtste eeuw leefde, sprak in zijn levensbeschrijving van abt Gregorius van het oratorium sancti Salvatoris, het bedehuis van Sint-Salvator, waarnaar de abt zich op zijn sterfbed liet brengen, en niet van de ecclesia sancti Salvatoris. Ook hier herkent men in het oratorium probleemloos de eerste, door Willibrord gebouwde Sint-Salvator, die na de bouw van een nieuwe Sint-Salvator door Bonifatius
gedegradeerd was tot een eenvoudig bedehuis.[49a]

Ook de vertaler van Beke kan alleen het oog hebben gehad op een Sint-Salvatorkerk. Met de mededeling dat de door Bonifatius gebouwde kerk verschillende patroonheiligen had, gaf hij er blijk van goed op de hoogte te zijn geweest van de situatie.[50] De kerk van Sint-Salvator of Oudmunster was immers vanouds niet alleen gewijd aan de Verlosser, maar ook aan Maria en alle heiligen,[51] en minstens sinds de elfde eeuw speciaal ook aan... Bonifatius zelf, die naast Sint-Salvator de hoofdpatroon was.[52] In 1253 hernieuwde de door Bonifatius gestichte abdij Fulda, waar hij begraven lag, haar aloude broederschap met het Utrechtse ‘kapittel van de heilige Bonifatius’.[53] De achterzijde van het kapittelzegel van Oudmunster bevatte de beeltenis van de heilige[54] en in de kerk stonden aan weerszijden beelden van de Verlosser en Bonifatius.[55] Behalve Beke vermelden ook andere geschiedschrijvers dat Bonifatius in Utrecht een Sint-Salvatorkerk bouwde die Oudmunsterkerk werd genoemd.[56]

Op grond van dit alles is onze conclusie dat Bonifatius in Utrecht een nieuwe kerk van Sint-Salvator – de latere kerk van Oudmunster – heeft laten bouwen naast de eerste Sint-Salvatorkerk, die hoogstwaarschijnlijk op de plaats van de Heilig-Kruiskapel stond.[57]

Verbroederingsboek Sankt-Gallen Het verbroederingsboek van Sankt-Gallen van omstreeks 1040, waarin in de linkerkolom vermeld de Nomina fratrum sancti Martini in Traiecto en in de rechterkolom de Nomina fratrum sancti Bonifacii in Traiecto. In deze tijd was de kerk van Oudmunster dus ook al aan Bonifatius gewijd. Als eerste wordt telkens bisschop Bernold (Pernoldus episcopus) vermeld.

De verhouding tussen Sint-Salvator en Sint-Maarten

Na de hierboven aangehaalde passage uit Bekes Chronica betreffende de ‘kerk van kloosterlijke kanunniken’ die Oudmunster werd genoemd, welke kerk door Bonifatius gebouwd werd naast ‘het eerste bedehuis van Sint-Salvator’, staan de volgende intrigerende zinnen:

Quidam tamen asserunt eandem ecclesiam a sancto Clemento primo superedificatam esse et lxxx canonicos in ipsa prebendatos extitisse, de quibus idem Clemens xl sumpsisset, quos in ecclesia sancti Martini confessoris almiflui transplantasset. Sommighe lude seggen, dat sunte Clemens die Willibrordus hiet dese kerke ierst stichte ende proevende daerin lxxx canonike, daer dieselve Clemens xl weder uutnam ende settese in sunte-Martijnskerke.
Si autem ita hoc fuerit, veritati non contradicimus, verumptamen nullam exinde certitudinem ex privilegiis vel hystoriis aliquatenus indagare potuimus. Mer is dat also, so segghen wi daer niet tieghen, doch en vinden wi ghene sekerheit daerof in privilegiën noch in historiën.

Beke gaf hier dus een mening weer die bij ‘sommigen’ leefde, namelijk dat Willibrord eerst de Sint-Salvatorskerk stichtte en daarin 80 kanunniken van een prebende voorzag, van wie hij er vervolgens 40 overplaatste naar de Sint-Maartenskerk.[58] De kroniekschrijver voegde eraan toe dat hij daarvan geen bevestiging had gevonden in de privileges of de geschiedschrijving.

Deze passage dienen we in samenhang te zien met de tekst waarin Beke zegt dat Willibrord op de plaats van de Sint-Thomaskerk een ‘kerk van kloosterlijke kanunniken’ had gesticht, waar hij ook de bisschopszetel in had geplaatst.[59] Het gaat bij deze laatste kerk dus om de Sint-Maartenskerk, die op de fundamenten van de verwoeste Sint-Thomaskerk was gebouwd.

Uit deze tekstdelen blijkt dat er in Utrecht twee verschillende opvattingen leefden over de vraag aan welke kerk het eerste college van geestelijken verbonden was en waar de bisschopszetel in oorsprong gestaan had. De ene opvatting koos voor Sint-Maarten, de andere voor Sint-Salvator. Het is zeer waarschijnlijk dat de visie dat aan Sint-Salvator het eerste college van geestelijken verbonden was vooral leefde bij de geestelijkheid van dit kapittel. In de opvatting van het domkapittel daarentegen zal het eerste bedehuis van Sint-Salvator of – in de middeleeuwse visie – van het Heilig Kruis geen ‘kerk van kloosterlijke kanunniken’ zijn geweest, maar de eerste Sint-Maartenskerk wél[60] en moest men daarom de Sint-Maartenskerk beschouwen als de Utrechtse moederkerk, waar ook vanouds de bisschopszetel gestaan had.[61]

Hoever men is gegaan om deze laatste opvatting ingang te doen vinden, blijkt uit een passage uit de tekst van de brief van Bonifatius, zoals die bij Beke afgedrukt is. Links staat de tekst uit het oudst bewaarde, negende-eeuwse handschrift,[62] rechts de tekst zoals die bij Beke voorkomt:[63]

- - - [Willibrordus] fana et dilubra destruxit et aecclesias construxit - - - [Willibrordus] fana et delubra destruxit et ecclesias construxit
et sedem episcopalem et sedem episcopalem
in honore sancti Martini
et aecclesiam in honore sancti Salvatoris constituens et basilicam in honore sancte Crucis
in loco et castello, quod dicitur Traiectum. in loco et castello quod dicitur Traiectum.

In de tekst die Beke heeft is van ‘een bisschopszetel en een kerk van Sint-Salvator’ dus ‘een bisschopszetel ter ere van Sint-Maarten en een kerk ter ere van het Heilig Kruis’ gemaakt. De vervalsing van de tekst van de oorspronkelijke brief hoeft natuurlijk niet per se van Beke zelf afkomstig te zijn;[64] hij kan ook een afschrift onder ogen hebben gehad waarin die wijziging al was aangebracht. Dat is zelfs waarschijnlijker: wanneer Beke over de oude brieftekst had beschikt, zou hij immers wel degelijk een geloofwaardig bewijs voor het primaat van Sint-Salvator hebben gehad.


Nu was in de tijd dat Beke leefde de Sint-Maartenskerk al vele eeuwen de bisschopskerk of kathedraal.[65] Maar daarmee was zij nog niet de eerste kerk in Utrecht waaraan een college van geestelijken verbonden was en waar in oorsprong de bisschopszetel had gestaan. Uit de oudste bronnen kan immers afgeleid worden dat het oude ‘monasterium’ van Willibrord, vermeld in de oorkonde van 1 januari 723, verbonden was aan Sint-Salvator en niet aan Sint-Maarten. Dit blijkt duidelijk uit de brief van Bonifatius.[66] Ook de naam ‘Antiquum monasterium’ of Oudmunster voor Sint-Salvator is in dit verband veelzeggend.[67] Het aan Sint-Maarten gewijde domkapittel werd daartegenover eens het ‘novum monasterium’ genoemd.[68] Onze conclusie is dan ook dat de ‘sommigen’ over wie Beke spreekt, die Sint-Salvator als de oudste kloostergemeenschap én de eerste plaats van de bisschopszetel beschouwden, het bij het rechte eind hebben gehad, ook al had deze kroniekschrijver daarover zoals hij zei niets in de privileges en de geschiedschrijving kunnen vinden.[69] Waarschijnlijk is Beke het slachtoffer geworden van de verkeerde voorstelling van zaken die het domkapittel gaf over de ontstaansgeschiedenis van het bisdom.

Bonifatius en de positie van de Utrechtse kerk

We hebben al opgemerkt dat Bonifatius in Utrecht zijn kerk gebouwd zal hebben in de periode dat zijn invloed groot was. Uit deze tijd dateren zijn hervormingspogingen om te komen tot een rechtstreeks onder Rome staande Frankische landskerk. In 745 keurde de paus een plan goed voor de inrichting van een kerkprovincie Keulen waarvan Bonifatius aan het hoofd zou staan.[70] Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze laatste in dit verband ook Utrecht, waar de Sint-Salvator de basis van de missionering van Willibrord had gevormd, willen maken tot een gewoon bisdom, weliswaar een suffragaanbisdom van Keulen, maar met een door haar patrocinium naar Rome verwijzende nieuwe, grotere Sint-Salvatorkerk als kathedraal.[71]

Al spoedig heeft echter het hervormingsstreven van Bonifatius ernstige weerstand ondervonden van een deel van de Frankische adel, die zijn macht en positie binnen de kerk bedreigd zag.[72] Dit verzet en de politieke noodzaak voor de hofmeiers daarmee rekening te houden, heeft er waarschijnlijk toe geleid dat het voornoemde plan vooralsnog geen doorgang heeft gevonden. In elk geval heeft Bonifatius zijn zetel in Keulen niet kunnen innemen en heeft hij genoegen moeten nemen met de bisschopszetel Mainz.[73]

In de brief van Bonifatius aan de paus uit 752/53 is te lezen dat op dat moment – waarschijnlijk na de dood van Dadanus of Wera –[74] de Keulse kerk aanspraak maakte op de kerk van Utrecht. De bisschop van Keulen deed dit op grond van de vroegere schenking door koning Dagobert van de burcht Traiectum met de daarin gebouwde Sint-Thomaskerk.

Wat wilde Keulen nu precies met die aanspraken? Dat Utrecht een bisdom zou moeten worden binnen een kerkprovincie Keulen is niet aannemelijk, want Keulen was op dat moment nog geen aartsbisdom en kon dus ook geen suffraganen hebben.[75] De Keulse bisschop kon in deze kwestie ook geen beroep doen op de regeling van 745, omdat hierin Bonifatius als aartsbisschop was beoogd. Waarschijnlijk wilde de bisschop van Keulen de Utrechtse kerk niet als zelfstandige kerk laten voortbestaan, maar haar op grond van de schenking van koning Dagobert alsnog met al de bezittingen en rechten die zij inmiddels had gekregen eenvoudigweg annexeren.

Bonifatius nu ontkent in zijn brief aan de paus de schenking door koning Dagobert aan Keulen niet en kon dat ook niet doen. Tegelijkertijd kon ook hij zich niet beroepen op het plan van 745, aangezien dan een onderschikking van Utrecht aan Keulen had moeten plaatsvinden. Daarom zal hij daarover gezwegen hebben en ging hij uitvoerig in op het argument dat de Utrechtse kerk ooit aan Keulen was geschonken. Hij stelt dan dat als voorwaarde aan die schenking verbonden was geweest dat vanuit Keulen het Friese volk bekeerd had moeten worden, en dat was niet gebeurd.

Afgezien van de vraag of aan de schenking inderdaad deze voorwaarde verbonden is geweest, was zij inmiddels achterhaald door latere gebeurtenissen: in de eerste plaats de opdracht aan Willibrord om vanuit Utrecht het Friese volk te bekeren, de stichting van een Utrechtse kerk met Sint-Salvator als basis, en verder de diverse schenkingen die inmiddels aan deze vermogensrechtelijk zelfstandige kerk waren gedaan. En juist die zelfstandigheid nu wenste Bonifatius zeker te stellen. Daartoe wendde hij zich tot de goede instanties: voor de opdracht tot missionering aan Willibrord richtte hij zich tot de paus, voor de schenkingen aan de jonge kerk tot de wereldlijke machthebber, koning Pippijn. Bij deze laatste wist hij toen in elk geval bevestiging te krijgen van het aan de Utrechtse kerk geschonken tiendrecht en van het aan deze kerk verleende immuniteitsprivilege, waarmee de Keulse aanspraken daadwerkelijk weerlegd en het zelfstandig voortbestaan van de Utrechtse kerk bevestigd waren. De reactie van de paus op Bonifatius’ brief is niet bekend.

Funderingsresten Sint-Salvator
De funderingsresten van de door Bonifatius gebouwde kerk van Sint-Salvator. Rechtsonder de fundamenten van een Romeins gebouw. Uit: De Groot, ‘De Heilige Kruiskapel’, 143.
[80] D.P. Blok, ‘Het immuniteitsdiploma van koning Pippijn I voor de St. Maartenskerk te Utrecht', Tijdschrift voor Geschiedenis 75 (1962), 40-43.

[81] S. Muller Fz. uitg., Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht. Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, 3de serie, nr. 3 (Utrecht 1892) VIII.

[82] K.A. Eckhardt, ‘Pippin der Jüngere', in: K.A. Eckhardt, Studia Merovingica. Bibliotheca Rerum Historicarum, Studia 11 (Aalen 1975) 37-99, ald. 52-54.

[83] DB I, nr. 175.

[84] Blok, ‘Het immuniteitsdiploma van koning Pippijn I’; Eckhardt, ‘Pippin der Jüngere’, 54; zie ook Broer en De Bruijn, Bonifatius en de kerk van Nederland, 33-37.

[85] Broer en De Bruijn, De eerste kerken, 32. Van Winter, Strijdvragen, 89, en Hoekstra, ‘Enkele kanttekeningen’, 41, hebben deze suggestie een verdwijntruc genoemd. Dat is een onterechte typering, want we beschikken inderdaad niet over deze oorkonden zelf, maar wél over de verwijzing daarnaar in een latere bevestiging. Ook de tekst van de oudste tiendschenking door Pippijn de Middelste en de bevestigingen daarvan door Karel Martel en hofmeier Pippijn III vóór hij koning werd, zijn niet overgeleverd. De oudst bewaarde bevestiging, waarin naar de eerdere schenking en bevestigingen wordt verwezen, is die van koning Pippijn zelf (DB I, nr. 175). Juist wanneer er sprake was geweest van vervalsingen, zou de tekst van die vervalsingen ons waarschijnlijk wel in de cartularia zijn overgeleverd. Dergelijke falsa hadden immers tot doel om het bewijs van een gepretendeerd recht te leveren. In haar recensieartikel ‘Strijdvragen’, 89, beweert Van Winter zonder enige grond dat wij de koninklijke kanselarij voor de verdwijning verantwoordelijk zouden hebben gesteld.

[86] DB I, nrs. 175 (753 mei 23) tot en met 190 (943 juni 24), met uitzondering van nr. 184 (850 augustus 12), waarin simpelwel sprake is van de ecclesia Traiectensis.

[87] Ald. nr. 173.

[88] DB I, nrs. 175 (753 mei 23); 176 (753?); 177 (769 maart 1); 178 (777 juni 8); 179 (815 maart 18); 180 (828 februari 7); 181 (834 december 26); 182 (838 maart 23); 183 (845 maart 21); 185 (854 mei 18); 186 (858 januari 2); 187 (896 juni 24); 188 (914 juli 9); 189 (919 mei 12-931 april 13); 190 (943 juni 24). Alleen in een oorkonde van 12 augustus 850 (ald. nr. 184) wordt Sint-Maarten niet genoemd en is slechts sprake van de Traiectensis ecclesia.

[89] DB I, nr. 179 (815 maart 18): Traiecti ecclesię episcopus, que est constructa in honore sancti Martini confessoris - - -, in eadem sede - - -; nr. 186 (858 januari 2): Traiectensis ęcclesia, quę in honori Xristi confessoris Martini constructa esse dinoscitur - - - ad prefatam sedem Traiectensem; aldus ook nr. 187 (896 juni 24). Een oorkonde van 20 april 950 (DB I, nr. 193) spreekt zelfs van episcopalem sedem Traiectensem in honore sancti Martini constructam. Uit de zinsnede que est constructa, die ook in vrijwel alle overige schenkingsoorkonden (t.a.p., nrs. 173, 174, 175, 177, 178, 180, 181, 182, 183, 185, 188, 189, 192, 194) voorkomt, blijkt tevens dat de schenkingen in de optiek van de schenkers aan een fysiek bestaand kerkgebouw werden gedaan.

[90] Zoals Hoekstra, ’Enkele kanttekeningen‘, 41, zonder onderbouwing stelt. Zie hiervóór.

[91] Altfried, ’Vita sancti Liudgeri, par. 15 en 17, p. 19-21.

[92] Zie P.H.D. Leupen, ‘Sint Salvator en Sint Maarten, Willibrord en Bonifatius’, in: P. Bange en A.G. Weiler red., Willibrord, zijn wereld en zijn werk, (Nijmegen 1990) 317-347, die zich ald. 318-319 ook verzet tegen de idee van een dubbelkathedraal. Al eerder over de overgang van Sint-Salvator naar Sint-Maarten: R.R. Post, ‘De Sint Maartenskerk, kathedraal van Utrecht sedert Bonifacius, tot de regering van bisschop Adalbold’, Historisch Tijdschrift 10 (1931) 95-324.

[93] Zie bv. Van Winter, ‘Utrecht aan de Rijn’, 69-70.

[94] Aldus Van Winter, a.w., en M. Mostert in een – speels bedoeld? – artikel (‘Bonifatius als geschiedvervalser’, Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 9 (1995) 213-221). Mostert maakt hierin merkwaardigerwijs geen melding van de schenkingen die door de koningen en hun hofmeiers onder Willibrord aan de Utrechtse kerk zijn gedaan. Door dit eenzijdig bronnengebruik mist zijn artikel context die niet gemist kan worden. Hetzelfde geldt voor een artikel van Mosterts leerling en collega W.S. van Egmond, waarin Bonifatius nog zwarter wordt afgeschilderd. Van Egmond noemt hem ernstig vooringenomen en agressiever dan tot nu toe werd aangenomen. Zie met name hierover onze webpagina
► 
De vooringenomenheid van Bonifatius.
Het immuniteitsprivilege

Aan met name het immuniteitsprivilege dienen we hier nog enige nadere aandacht te besteden vanwege de suggestie dat Bonifatius in het kader van het conflict met Keulen vervalsing zou hebben gepleegd om de Utrechtse kerk aan een dergelijk voorrecht te helpen.[76] Hij zou daartoe immuniteitsoorkonden gemaakt hebben op naam van twee Merovingische koningen, ‘Clotarius’ en ‘Theodebertus’, die genoemd worden in de wel als echt beschouwde oorkonde, waarin koning Pippijn op verzoek van Bonifatius de oudere verlening en bevestiging op zijn beurt bevestigde.[77]

Valt echter een dergelijke oorkondenvervalsing aan te nemen? Misschien als men ervan uitgaat dat met de genoemde koningen achtereenvolgens de koningen Theudebert II (596-612) en Chlotarius II (613-623) bedoeld zijn.[78] Het is immers zeer onwaarschijnlijk dat er in die vroege periode al een kerkje in Utrecht gestaan heeft; de domtafelen spreken uitdrukkelijk van de bouw daarvan door koning Dagobert (623-639).[79] En als zo’n kerkje er toch geweest zou zijn, dan is het nauwelijks voorstelbaar dat het een immuniteitsprivilege heeft verworven. Dergelijke voorrechten werden immers alleen verleend aan bisdommen en belangrijke abdijen.

Van twee verschillende kanten is voor de identificatie van de vermelde koningen evenwel een andere suggestie gedaan. Al in 1962 heeft D.P. Blok voorgesteld om de naam ‘Theodebertus’ te lezen als ‘Theodericus[80] en in 1975 deed de Duitse rechtshistoricus K.A. Eckhardt hetzelfde - naar het lijkt onafhankelijk van Blok; in ieder geval vermeldde hij diens artikel niet. Gezien de enigszins gebrekkige overlevering van de oudste Utrechtse oorkonden - het oudste handschrift dateert uit het eind van de elfde eeuw -[81] is een dergelijke naamsverminking allerminst uitgesloten. Eckhardt toonde aan dat verbastering van de Merovingische koningsnamen veelvuldig voorkwam.[82] Met de koningen zouden hier zowel volgens hem als volgens Blok niet Theudebert II en Chlotarius II bedoeld zijn, maar Chlotarius IV (718-719) en Theuderik IV (721-737). De oorkonden zouden in dit geval verleend zijn kort nadat hofmeier Karel Martel in 718 de Utrechtse burcht op de Friezen heroverd had.

Ongeveer tegelijkertijd met de schenking en bevestiging van de immuniteit door koningen Chlotarius IV en Theuderik IV heeft waarschijnlijk ook de toenmalige hofmeier Karel Martel (717-741) de eerder door zijn vader Pippijn de Middelste (687-714) gedane tiendschenking bevestigd.[83] Schenking en bevestigingen zullen gezien moeten worden als een ondersteuning van Willibrords missiewerk. Zoals gezegd zal Willibrord in deze tijd, omstreeks het jaar 720, begonnen zijn met de herbouw van de verwoeste Sint-Thomaskerk.[84]

Al met al lijkt er ons geen enkele reden om aan te nemen dat Bonifatius oorkonden vervalst heeft om de Utrechtse kerk aan een immuniteitsprivilege te helpen. Hij zal wel degelijk met echte oorkonden in de hand om bevestiging van bestaande oudere privileges hebben gevraagd. Behalve het immuniteitsprivilege en een bevestiging daarvan door de koningen kon hij ook nog oorkonden laten zien van de tiendschenking en de schenking van de burchten Utrecht en Vechten uit 723 door hofmeier Karel Martel.

Nu kan men zich afvragen waarom we dan niet meer over de tekst van de oudste immuniteitsprivileges beschikken. Onze voorzichtige suggestie is dat deze niet gesteld waren op naam van Sint-Maarten,[85] aan welke kerk vanaf omstreeks 753 tot in de tiende eeuw alle schenkingen en bevestigingen daarvan gedaan zijn,[86] maar op naam van de kerk van Sint-Salvator of eenvoudigweg van het monasterium, zoals in 723.[87] Door de latere bevestigingen waren deze oudere oorkonden ook niet meer echt nodig, en dat kan de reden zijn waarom de tekst ervan niet is overgeleverd.

Van Sint-Salvator naar Sint-Maarten

Opmerkelijk is dat terwijl de oudste bronnen aangeven dat de bisschopszetel aan Sint-Salvator gebonden was, alle schenkingen en bevestigingen daarvan vanaf omstreeks 753 tot ver in de tiende eeuw alleen gedaan zijn aan de Sint-Maartenskerk.[88] Dat deze kerk de hoofdkerk en op den duur de kathedraal van het bisdom Utrecht is geworden, blijkt expliciet uit een aantal koninklijke oorkonden. In de oudste daarvan, daterend van 18 maart 815, wordt gesproken over de sedes, de bisschopszetel, van ‘de kerk van Utrecht, die gebouwd is ter ere van de heilige Martinus de belijder’. Ook in oorkonden van 858, 896 en 950 wordt de Sint-Maarten letterlijk als kerkgebouw de (episcopalis) sedes genoemd.[89] Men kan dus niet zeggen dat de bisschopszetel niet aan een bepaalde kerk verbonden was.[90] Zoals uit bovenstaande gegevens en uit vrijwel alle andere schenkingsoorkonden blijkt, was vanaf omstreeks 753 Sint-Maarten onmiskenbaar de hoofdkerk. Toen Utrecht in het laatste kwart van de achtste eeuw een regulier diocees in de kerkprovincie Keulen werd – in 777 werd het hoofd van de Utrechtse kerk Alberik, die kort daarvoor zijn oom Gregorius als abt was opgevolgd, in Keulen tot bisschop gewijd –,[91] is zij de kathedraal van het bisdom Utrecht geworden en sindsdien ook gebleven.[92]

Er is gesteld dat de overgang van Sint-Salvator naar Sint-Maarten op verzoek van Bonifatius heeft plaatsgevonden. Daaraan heeft men het verwijt gekoppeld dat hij aan de paus en aan de koning een verschillende voorstelling van zaken heeft gegeven door bij de eerste de nadruk te leggen op Sint-Salvator en bij de laatste op Sint-Maarten.[93] Maar was dit een voor de hand liggende gang van zaken? Uit de brief van Bonifatius aan de paus blijkt dat hij een direct van Rome afhankelijk bisdom wenste onder het Romeinse patrocinium van Sint-Salvator. Dit paste geheel in zijn visie op de Kerk. Ook de bouw door hem van een nieuwe Sint-Salvatorkerk naast de eerste stichting van Willibrord moet in dit licht bezien worden. Het is daarom onwaarschijnlijk dat het initiatief om in Utrecht voortaan de Sint-Maartenskerk te begunstigen van Bonifatius is uitgegaan. Aannemelijker is dat de omschakeling het werk is geweest van koning Pippijn, die met Sint-Maarten als patroon van de Frankische koningen de verbondenheid van Utrecht met de Frankische landskerk tot uitdrukking heeft willen brengen. Mogelijk is er sprake geweest van een compromis: Bonifatius heeft wél de zelfstandigheid van de Utrechtse kerk tegenover de aanspraken van Keulen weten te handhaven, maar hij heeft genoegen moeten nemen met een Frankisch patronaat.

Tot slot

Manipulatie, oorkondenvervalsing, geschiedvervalsing, leugens, vooringenomenheid, agressiviteit... Dit alles hebben de mediëvisten J.M. van Winter, M. Mostert en W.S. van Egmond de laatste decennia Bonifatius verweten aangaande de rol die hij met betrekking tot de Utrechtse kerk heeft gespeeld.[94] Voor oorkondenvervalsing is echter geen enkele aanwijzing in de bronnen te vinden en om het zelfstandig voortbestaan van de Utrechtse kerk te handhaven kon Bonifatius zich niet alleen beroepen op de opdracht die aan Willibrord was verleend, maar ook op verschillende rechtstitels, waaronder een immuniteitsprivilege, het bezit van het tiende deel van koninklijke inkomsten en van de burcht Traiectum, waar de bisschopszetel stond. Met name door de verlening van immuniteit mocht de eerdere schenking aan Keulen toch wel als tenietgegaan worden beschouwd.

Vastgesteld moet worden dat Bonifatius zich zeer voor het zelfstandig voortbestaan van de Utrechtse kerk heeft ingespannen. Daarbij stond hem als ideaal voor ogen een zelfstandig, direct van Rome afhankelijk bisdom onder het patrocinium van Sint-Salvator. Hij wendde zich daarvoor tot de juiste instanties: de paus en de Frankische koning. Zijn inspanningen zijn maar ten dele geslaagd. Weliswaar wist hij de zelfstandigheid van Utrecht te handhaven, echter niet onder het Romeinse patronaat van de Verlosser maar onder dat van de Frankische heilige Martinus.













Brief van Bonifatius
 Fragment van de brief van Bonifatius uit het oudst bewaarde, negende-eeuws handschrift. Wien, Österreichische Nationalbibliothek, Codex Vindobonensis 751, f. 60v.














Oudmunsterkerk
De kerk van Sint-Salvator of Oudmunster in de zestiende eeuw.
























































 
[a] J.T.J. Jamar en C.A. van Kalveen uitg., Catalogus episcoporum Ultrajectinorum. Lijst van de Utrechtse bisschoppen 695-1378 (Utrecht 2005) 10-13.
Bijlagen

Bonifatius over de eerste Utrechtse kerken in zijn brief aan paus Stephanus II uit 752/53 (naar Rau uitg., Briefe des Bonifatius, nr. 109; voor de vertaling is gebruik gemaakt van de Duitse vertaling in deze uitgave en de Nederlandse van P. Bange in Weiler, Willibrords missie, 213).

Venerando ac diligendo domino apostolatus privilegio predito Stephano pape Bonifatius exiguus legatus vel missus Germanicus catholicae et apostolicae Romanae aecclesiae optabilem in Christo caritatis salutem.   Aan de eerbiedwaardige en geliefde paus Stephanus, voorzien van het privilege van het apostolaat, zendt de onbetekenende legaat en zendeling in Germanië van de katholieke en apostolische kerk de in Christus gewenste groet van liefde.
Nam tempore Sergii apostolicae sedis pontificis venit ad limina sanctorum apostolorum presbiter quidam mirae abstinentiae et sanctitatis generis Saxonum nomine Wilbrord et alio nomine Clemens vocatus; quem prefatus papa episcopum ordinavit et ad predicandum paganam gentem Fresorum transmisit in litoribus oceani occidui.  Ten tijde van Sergius, bisschop van de apostolische stoel, kwam naar de kerk van de heilige apostelen een priester van wonderbaarlijke onthouding en heiligheid, afkomstig van het volk der Saksen, genaamd Willibrord of ook wel Clemens. Genoemde paus heeft hem tot bisschop gewijd en hem om te prediken bij het heidense volk der Friezen gestuurd naar de kuststreken van de westelijke oceaan.
Qui per L annos predicans prefatam gentem Fresorum maxima ex parte convertit ad fidem Christi, fana et dilubra destruxit et aecclesias construxit et sedem epicopalem et aecclesiam in honore sancti Salvatoris constituens in loco et castello, quod dicitur Traiectum. Vijftig jaar preekte hij bij het genoemde volk der Friezen en hij bekeerde een groot deel van hen tot het christelijk geloof. Hij heeft hun heiligdommen en tempels vernietigd en kerken gebouwd en een bisschopszetel en een kerk ter ere van de heilige Verlosser gevestigd in de plaats en de burcht die Traiectum genoemd wordt.
Et in illa sede et aecclesia sancti Salvatoris, quam construxit, predicans usque ad debilem senectutem permansit.  En in die zetel en kerk van de heilige Verlosser die hij gebouwd heeft, is hij altijd gebleven, predikend tot in de zwakte van de ouderdom.
Et sibi corepiscopum ad ministerium implendum substituit; et finitis longeve vitae diebus in pace migravit ad Dominum.  En hij heeft voor zichzelf een koorbisschop als plaatsvervanger aangesteld om het dienstwerk te volbrengen; en nadat hij in vrede de dagen van zijn lange leven beëindigd had, is hij overgegaan tot de Heer.
Princeps autem Francorum Carlmannus commendavit mihi sedem illam ad constituendum et ordinandum episcopum. Quod et feci. Maar de vorst der Franken Karloman heeft deze zetel aan mij toevertrouwd om er een bisschop te benoemen en te wijden. Dat heb ik ook gedaan.
Nunc autem Colonensis episcopus illam sedem prefati episcopi Clementis a Sergio papa ordinati sibi usurpat et ad se pertinere dicit propter fundamenta cuiusdam destructae a paganis ecclesiolae, quam Wilbrordus derutam usque ad solum in castello Traiecto repperit et eam proprio labore a fundamento construxit et in honore sancti Martini consecravit. Nu echter heeft de bisschop van Keulen zich de zetel van genoemde bisschop Clemens, die door paus Sergius gewijd werd, toegeëigend en hij zegt dat deze aan hem toebehoort wegens de fundamenten van een door de heidenen verwoest kerkje, dat Willibrord met de grond gelijk gemaakt aangetroffen had binnen de burcht Traiectum en dat hij eigenhandig vanaf het fundament weer heeft opgebouwd en gewijd ter ere van Sint-Maarten.
Et refert, quod ab antiquo rege Francorum Dagobercto castellum Traiectum cum destructa aecclesia ad Colonensem parrochiam donatum in ea conditione fuisset, ut episcopus Colonensis gentem Fresorum ad fidem Christi converteret et eorum predicator esset. Quod ipse non fecit.   En hij beweert dat de burcht Traiectum door de vroegere koning van de Franken Dagobert samen met die verwoeste kerk aan het Keulse diocees was gegeven op voorwaarde dat de bisschop van Keulen het volk van de Friezen tot het christendom zou bekeren en hun prediker zou zijn. Maar dat heeft hij niet gedaan.
Non predicavit, non convertit Fresos ad fidem Christi, sed pagana permansit gens Fresorum, usque quod venerandus pontifex Romanae sedis Sergius supradictum servum Dei Wilbrordum episcopum ad predicandum supradictae genti transmisit; qui illam gentem, ut prefatus sum, ad fidem Christi convertit.  Hij heeft niet gepredikt, noch heeft hij de Friezen tot het christelijk geloof bekeerd, maar het Friese volk is heidens gebleven totdat de eerbiedwaardige bisschop van de Romeinse zetel Sergius de bovengenoemde dienaar Gods bisschop Willibrord heeft gestuurd om te preken bij het genoemde volk; en deze heeft, zoals ik zei, dat volk tot het christelijk geloof bekeerd.
Et modo vult Coloniensis episcopus sedem supradicti predicatoris Wilbrordi sibi contrahere, ut non sit episcopalis sedes subiecta Romano pontifici predicans gentem Fresorum. En nu wil de Keulse bisschop zich de zetel van de genoemde prediker Willibrord toe-eigenen, zodat deze geen bisschopszetel meer zal zijn onder het gezag van de bisschop van Rome om te prediken bij het volk van de Friezen.
Cui respondebam, ut credidi, quod maius et fortius fieri debeat preceptum apostolicae sedis et ordinatio Sergii papae et legatio venerandi predicatoris Wilbrordi, ut et fiat sedis episcopalis subiecta Romano pontifici predicans gentem Fresorum, quia magna pars illorum adhuc pagana est, quam destructae aecclesiolae fundamenta deruta et a paganis conculcata et per neglegentiam episcoporum derelicta. Sed ipse non consentit. Ik antwoordde hem dat ik van mening was dat een voorschrift van de apostolische zetel, de wijding door paus Sergius en de opdracht aan de eerbiedwaardighe prediker Willibrord dat er ook een bisschopszetel moest komen die direct onder de Romeinse bisschop zou staan ten behoeve van de prediking bij het volk der Friezen, omdat een groot deel van hen nog heidens is, een groter en sterker gewicht moest hebben dan de ruïnes van een verwoest kerkje, door de heidenen vertrapt en door nalatigheid van de bisschoppen verlaten. Maar daar was hij het niet mee eens.
Sed modo paternitatis vestrae iudicio mihi intimare dignemini.  Moge U zich nu verwaardigen mij het oordeel van Uwe Vaderlijkheid kenbaar te maken.
Et si hoc iustum sit responsum et vobis placeat, quod illi Colonensi episcopo reddidi, vestra auctoritate roborate, ut preceptum Sergii papae et sedis illa stabilis permaneat.   En als het antwoord dat ik aan de bisschop van Keulen heb gegeven juist is en U behaagt, wilt U het dan met Uw gezag bekrachtigen, zodat het voorschrift van paus Sergius en die zetel onaangetast blijft.
Sic enim potestis nos, si vobis placet, adiuvare, si de scrinio aecclesiae vestrae exemplare iubetis et mihi transmittere, quicquid prefato episcopo Wilbrordo ordinato sanctus Sergius preciperet et conscriberet, ut ex auctoritate sanctitatis vestrae contradicentes convincere et superare valeam.   Want zo kunt U ons, als het U behaagt, helpen wanneer U mij uit Uw kerkelijk archief een kopie wilt laten afschrijven en ook aan mij toesturen wat de heilige Sergius beval en schriftelijk vastlegde aan de genoemde en door hem gewijde bisschop Willibrord, zodat ik door het gezag van Uwe Heiligheid mijn tegenstanders kan weerleggen en overwinnen.
Si autem aliter iustius sanctitatis vestrae videatur, consilium paternitatis vestrae videatur, consilium paternitatis vestrae insinuare mihi
dignemini, ut sequar.
Als echter een andere manier van handelen Uwe Heiligheid rechtvaardiger voorkomt, wilt U zich dan verwaardigen mij de raad van Uwe Vaderlijkheid kenbaar te maken, zodat ik deze kan volgen.

Middeleeuwse teksten over Bonifatius als bouwer van de Sint-Salvatorkerk

De oudste tekst die Bonifatius noemt als bouwer van de kapittelkerk van Sint-Salvator of Oudmunster is de omstreeks 1340 geschreven kroniek van Jan Beke. Er zijn echter ook andere bronnen die hierover verhalen. Zij baseren zich doorgaans op Bekes kroniek, maar verschaffen daarnaast interessante aanvullende informatie.

Om te beginnen is er een veertiende-eeuwse lijst van bisschoppen, die enkele jaren geleden volledig is uitgegeven. De oudste hand dateert van 1342, dus uit de tijd waarin Beke zijn kroniek schreef, en ook enkele jongere handen met aanvullingen zijn nog uit de veertiende eeuw.[a]  De tekst over Bonifatius luidt (letterlijk overgenomen uit de uitgave met de eveneens letterlijk weergegeven vertaling van de hand van J.T.J. Jamar):

Sanctus Bonifacius per papam Gregorium sic vocatus et in archiepiscopum Maguntinensem ordinatus,
ante Winfridus nominatus.
Et in sancto comitatu Beati Willibrordi XIII annis conversatus, demum ad regimen Traiectensis assumptus dyocesis.

Qui tempore vite sue beato Gregorio Traiectensem dyocesim commisit et transtulit se in Dockinchem ad predicandum nomen Christi. Et ibi cum LII fidelibus martyrizatus est.
Sed corpus eius postea in Traiecto cum ceteris corporibus secum martiziratorum est reductum
(met andere hand:) in ecclesia Sancti Salvatoris, quam ipsemet fundavit prope oratorium Sancte Crucis, fundato a Sancto Wilbrordo.
Martirium recepit cum suis in opido Stockem.
Quiescit in Fulden in monasterio ordinis Sancti Benedicti in dyocesi Maguntino, quod ipsemet fundavit.
Fuit secundus archiepiscopus Traiectensis.

Obiit anno Domini VIIcLII nonas mensis junii.
De Heilige Bonifatius is zo door paus Gregorius [II] genoemd en tot aartsbisschop van Mainz aangewezen.
Voordien heette hij Winfried.
En nadat hij dertien jaar in het heilige gezelschap van de Heilige Willibrord had verkeerd, is hem tenslotte het bestuur van het bisdom Utrecht in leen toevertrouwd.
En hij vertrouwde verder tijdens zijn leven het bisdom Utrecht aan de Heilige Gregorius toe, en begaf zich naar Dokkum om de naam van Christus te prediken en daar is hij met 52 gelovigen de marteldood gestorven.
Maar zijn lichaam is daarna, met de lichamen van alle overigen die met hem de marteldood waren gestorven, teruggebracht naar Utrecht, naar de kerk van St. Salvator, die hij zelf heeft gesticht, dichtbij de Heilige Kruiskapel, die gesticht was door de Heilige Willibrord.
Hij verwierf het martelaarschap met de zijnen in de stad Dokkum.
Zijn laatste rustplaats is Fulda in het klooster van de orde van de Heilige Benedictus in het bisdom Mainz, dat hij zelf heeft gesticht.
Hij is de tweede aartsbisschop van Utrecht geweest.
Hij stierf op 5 juni in het jaar des Heren 752.


[b] Moet zijn: men.

[c] Deze tekst is corrupt, althans zo niet te begrijpen. Bedoeld is wellicht dat Bonifatius een broederschap heeft gesticht van de geestelijken van de dom (die hoeftkerck) en die van Sint-Salvator. Waarschijnlijk is er ten onrechte een punt geplaatst achter het woord Utrecht. Die punt zou behoren te staan achter Sinte-Salvatoersmonster. Ook staat in het hierna volgende abusievelijk tweemaal mit malcander(en). Met inachtneming van de voorgestelde correctie en weglating van éénmaal mit malcander(en) levert het geheel als vertaling op: ‘Maar men vindt wel dat Sint-Bonifatius de kanunniken van de hoofdkerk van Utrecht en de kanunniken van Sint-Salvatorsmunster instelde. Die zouden een beminnelijke broederschap met elkaar houden alsof ze één college waren.’ We hebben de bron van deze mededeling overigens nergens aangetroffen. Er bestond later in de Middeleeuwen wel een broederschap tussen beide kapittels, maar één college vormden ze beslist niet.

[d] Uit het vervolg blijkt dat hier weer de Oudmunsterkerk bedoeld is.
Uitvoeriger is de tekst in een vijftiende-eeuwse kroniek, die naar zijn bezitter de Kattendijkekroniek wordt genoemd (A. Janse m.m.v. I. Biesheuvel uitg., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek (Den Haag 2005)) 144-145. De tekst wordt hier letterlijk weergegeven; we hebben alleen enkele alinea’s aangebracht:

Sanctus Bonifacius, die anderde biscop van Uutrecht, hij sat XVI jaer ende wort martelaer.

Sinte Bonifacius was een heylich aertsbiscop tot Utrecht XVI jaer lanck. Ende als sinte Bonifacius, die eertsbiscop van Mens, vernam dat Clemens, die sinte Willibroerdus hiet, die eerstbiscop van Utrecht, doot was, ende die kercke van Utrecht was sonder harder, so versamende hij een heylighe versaminghe van biscopen ende prelaten ende priesteren ende overdroghen dat sij den eerbaeren priester Billonen ordineerde biscop tot Mens.

Ende Bonifacius voer tot Utrecht bij rade Karel Maerceel, den hertoech voerscreven. Ende nam an te regieren die kerck die sonder troest stont in den naem Gods, opdattet volck wilck hij in voertijden hadde helpen bekeeren, opdat sij niet weder en keerden totten afgoden, ende dat hij se houden mocht in den rechten ghelove.

Dese heylighe Bonifacius die woude vermeren den dienst Gods ende stichtede int jaer ons Heeren VIIc ende XXXVIII een canonicken cloesterkerck in der stadt van Utrecht al vast bi den bedehuys des Heylighen Cruus. Ende dese kerck hiet Sinte-Salvatoersmonster. Ende hier settede hij in XL canonicken, ghelijc als in die hoeftkerc waren die Willibroerdus stichte, die nacht ende dach den dienst Gods vervulden.

Sommighe luden segghen, dat sinte Willibroerdus dese kerck eerst stichte ende provende daerin LXXX canoniken, daer dieselve sinte Williboert XL weder uutnam, ende sette se in Sinte-Martijnskerck. Mer ist so, so blijft so. Mer mer (!)[b] vindes in gheen previlegien of hystorien of cronijcken dattet also is.

Mer men vind wel dat sinte Bonifacius Sinte-Salvatoersmonster stichte ende dat hij maecte die canonicken van der hoeftkerck van Utrecht. Ende die canoniken van Sinte-Salvatoersmonster die souden mit malcander minlicke broederscap mit malcanderen houden, ghelijck of sij in een collegion waren.[c]

Ende want sinte Bonifaes dese kercke van Sinten-Salvatoers selve ghestijcht ende ghewijet hadde, so worden die heylighe martelaers die mit sinte Bonifatius ghemaertirizeert worden, die worden in Sinte-Salvatoersmonster, XIII lichamen of meer, ghebrocht ende potten van horen heylighen bloede ende meer van horen heylighen hoefden. Mer sinte Bonifaes lichaem wer ghebrocht bij mirakel van God int sticht van Mens, in een cloester van Sinte-Benedictus oerden ende hiet Sulden.

Ende sinte Gregorius biscop, die na sinte Bonifaes was, die wert daer oeck begraven[d] ende daerna sinte Odulphus, die daer canonic was, die wort daer begraven, ende daerna sinte Fredricus. Aldus is Sinte-Salvatoersmonster die heylichste stede van al Uutrecht ende veel eerbaer devote biscoppen hebben daer begheert begraven te wesen.

Nadat sinte Bonifaes doot was ende van den paus ghecanonyseert was, so coren dese canoniken van desen monster bij sinte Gregorius des biscops consent sinte Bonifaes tot enen patroen, omdat hij fundatoer was van hoere kercke.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 1997-2016. - Hier gepubliceerd 2010; laatst bewerkt 20 februari 2016.