Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Zie ook de webpagina
Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen.

Kanttekeningen bij de uitgave
Bonifatius in Dorestad.
De evangeliebrenger van de
Lage Landen - 716

door Charlotte Broer en Martin de Bruijn
[1] De levensbeschrijving is, met Duitse vertaling, opgenomen in R. Rau (uitg.), Briefe des Bonifatius, Willibalds Leben des Bonifatius nebst einigen zeitgenössischen Dokumenten (Darmstadt 1968) 460-525; het citaat 476-477). Zie voor de tekst de webpagina Utrecht, Dorestad en hun bisschoppen.


[2] Ook door Van der Tuuk gesignaleerd (ald. 143 en 159, nt. 35).


[3] Zie onze publicatie De eerste kerken op het Utrechtse Domplein (2014) 47-93, over de historiografie betreffende de problematiek vanaf 1992 tot 2013.


[4] Al noemt hij de kroniek van Jan Beke wel in zijn literatuurlijst (ald. 160).
Inleiding

Dertienhonderd jaar geleden, in 716, kwam de Angelsaksische missionaris Bonifatius voor de eerste keer naar het vasteland van Europa. Volgens zijn levensbeschrijver Willibald kwam hij bij gunstige wind in
Dorstet (Dorestad) en verbleef daar een tijdlang. Daarna ging hij naar Trecht (Utrecht) en wachtte er enkele dagen op de Friese koning Radbod om te zien of hij mocht prediken. Toen dat niet het geval bleek, keerde hij in de herfst onverrichterzake naar zijn vaderland terug.[1]

Dit gegeven – een kort bezoek en vergeefse poging tot missionering in onze streken – is in Wijk bij Duurstede aanleiding geweest tot het houden van een symposium in mei 2016. Het mag met recht een typisch voorbeeld van herdenkingsinflatie worden genoemd. Ter gelegenheid van deze herdenking werd er ook een boek uitgegeven onder de titel Bonifatius in Dorestad. De evangeliebrenger van de Lage Landen – 716. De redactie was in handen van Luit van der Tuuk, conservator van het Museum Dorestad en beheerder van de website dorestadonthuld.nl. Het boek bevat een aantal bijdragen van theologische en historische aard, waarbij de twee historische van Van der Tuuk zelf het omvangrijkst zijn. Hierin behandelt hij Bonifatius in historisch perspectief, in een eerste artikel zijn leven en werk en in een verderop in het boek geplaatste tweede bijdrage Utrecht en Dorestad.

Nu moet de titel van het boek in meerdere opzichten enigszins misleidend worden genoemd. Om te beginnen is – afgezien van het vermelde kortstondige bezoek van Bonifatius in 716 en van een apocrief en ongeloofwaardig verhaal in de levensbeschrijving van de Frankische koning Dagobert III –[2] niets van een eventuele verdere aanwezigheid en activiteit van hem in Dorestad bekend, zodat de hoofdtitel Bonifatius in Dorestad nogal overdreven overkomt. In de ondertitel wordt verder ten onrechte de suggestie gewekt dat Bonifatius dé evangeliebrenger van de Lage Landen is geweest. Zoals bij de meeste mensen wel bekend is, komt die eer aan anderen toe. Onder hen moet in de eerste plaats genoemd worden Bonifatius’ leermeester en oudere collega, de eveneens Angelsaksische missionaris Willibrord.

Die geringe betrekkingen tussen Bonifatius en Dorestad zijn niettemin voor Van der Tuuk aanleiding geweest tot de twee genoemde omvangrijke, noodgedwongen voornamelijk contextuele bijdragen, waarin ook de problematiek van de missionering en de eerste kerken in Utrecht vrij uitvoerig en in samenhang aan de orde wordt gesteld. Dat vinden wij interessant, want die samenhang ontbreekt doorgaans in de ‘Utrechtse’ publicaties.[3] Helaas gebeurt het ook door Van der Tuuk op een wijze die op een aantal punten de toets van de kritiek niet kan doorstaan. Alleen op deze kerkenproblematiek richt zich de inhoud van deze webpagina; een eventueel commentaar op de resterende inhoud van zijn bijdragen laten we in beginsel graag aan anderen over, al sluiten we niet uit dat we er zelf in een ander verband nog wel eens op zullen ingaan.

Luit van der Tuuk heeft – dat is evident – kennisgenomen van onze opvattingen over de kerstening in en vanuit Utrecht en de eerste kerken aldaar. Maar hij verwijst slechts naar enkele en niet de meest omvangrijke, tevens meest recente van onze publicaties. Zo ontbreken onze boeken Bonifatius en de kerk van Nederland (Utrecht 2005) – juist voor hem van belang, zou je zeggen – en voorts De eerste kerken op het Utrechtse Domplein. Een samenhangende visie (Utrecht 2013). Ook ons fundamentele artikel ‘De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel in Utrecht en haar relatie met Willibrord’ in het Bulletin KNOB, jaargang 107 (2008) 81-89, ontbreekt in de literatuurlijst. De gedetailleerde bijdragen op deze website worden evenmin vermeld, al kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken dat hij deze wel degelijk heeft geraadpleegd.

Verder kan worden vastgesteld dat Van der Tuuk in zijn opvattingen vaak heel stellig is, zonder dat die opvattingen evenwel met bronnen of op die bronnen gebaseerde argumenten worden ondersteund. Bovendien springt hij zeer karig om met verwijzingen naar die bronnen. Wat hij ten slotte grotendeels negeert is de middeleeuwse geschiedschrijving over het bisdom Utrecht, hetgeen betekent dat er bij hem, net als bij de meeste andere onderzoekers, sprake is van selectief bronnengebruik.[4]

Een aantal van zijn beweringen willen we hier nalopen en aan de hand van de bronnen en de daarop gebaseerde argumenten behandelen. Hierbij verwijzen we voor onze argumentering in beginsel naar de verschillende webpagina’s op deze internetpresentatie, zodat ze gemakkelijk door de lezer zijn te raadplegen. Voor een overzicht van onze opvattingen raden wij aan de webpagina De eerste Utrechtse kerken te bezoeken. In zijn algemeenheid willen wij verwijzen naar onze ‘papieren’ publicaties, met name de hierboven genoemde.
[5] De oorkonde uit 726 waarin deze kerkpatronen worden genoemd, past Van der Tuuk ten onrechte toe op de Utrechtse Sint-Salvatorkerk. Zie hierna.


[6] Zie bv. de webpagina van het Meertensinstituut.


[7] Zie bv. de webpagina van het Meertensinstituut.


[8] Al uitvoerig beargumenteerd in C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, De eerste kerken in Utrecht: Sint-Thomas, Sint-Salvator, Sint-Maarten (Utrecht 1995) 19-21.


[9] Zie de webpagina Geschiedvervalsing door het Utrechts domkapittel.


[10] Ald. 124.


[11] Ald. 129.


[12] L.A. van der Tuuk, ‘Waar bevond zich de Sint-Maartenskerk van Willibrord?’, Oud-Utrecht 68 (1995) 52-58.


[13] Zie met name de webpagina’s Van tempeltje tot kathedraal en De bouw van Utrechts eerste kerk en de vooringenomenheid van Bonifatius.


[14] D.P.Blok, ‘Het immuniteitsdiploma van koning Pippijn I voor de St. Maartenskerk te Utrecht’, Tijdschrift voor geschiedenis 75 (1962) 40-43. Zie de webpagina > Bonifatius als bouwer van de Utrechtse Sint-Salvatorkerk.


[15] K.A. Eckhardt, ‘Pippin der Jüngere’, in: K.A. Eckhardt, Studia Merovingica (Aalen 1975) 52-54.


[16] Deze verhaspeling zal ook hebben plaatsgehad op de ‘domtafel’ die de geschiedenis van de eerste Utrechtse kerk beschrijft. Volgens dit tekstbord zou de kerk door Willibrord vanaf het fundament herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd zijn onder de ‘nietsdoende’ koning Hilderik. In Willibrords tijd is echter geen Merovingische koning Hilderik ‘nietsdoend’ geweest, wel een koning Hilperik II (719-721), dus in de tijd na de herovering van de burcht Trecht door de Franken. Deze periode komt nagenoeg overeen met een verlening van het immuniteitsprivilege door koning Chlotarius IV (718-719). Dat is voor ons de reden om de herbouw op omstreeks 720 te dateren. Van der Tuuk houdt hier geen rekening mee (ald. 129).


[17] J.M. van Winter, ‘Utrecht aan de Rijn. Middeleeuwse Rijnloop en wordingsgeschiedenis van de stad Utrecht, Jaarboek Oud-Utrecht 1975, 44-72, ald. 69-70.


[18] Diplomata Belgica I, nr. 173 (1 januari 723).


[19] Ald. 149.
De eerste Utrechtse kerk

Dat Van der Tuuk de middeleeuwse geschiedschrijving terzijde laat, is overigens niet het geval bij zijn behandeling van de eerste Utrechtse kerk, waarin hij zelfs de zogeheten domtafelen citeert, tekstborden – ‘overoude tafelen’ – die vroeger in de domkerk hingen en volgens welke de eerste Utrechtse kerk gewijd was aan Sint-Thomas. Volgens Van der Tuuk echter zou het meer voor de hand liggen dat ook die kerk al gewijd was aan Sint-Maarten, de patroonheilige van de Frankische koningen. Als argument daarvoor voert hij aan dat de wisseling van de schutspatroon van een kerk niet gebruikelijk was.

Dit is evenwel niet het geval geweest. Juist bij de oudste kerken kwam wisseling van patrocinium regelmatig voor. Oorspronkelijk waren deze kerken vaak gewijd aan God zelf, de moeder Gods Maria, een testamentische of een vroegchristelijke heilige. Maar daar kwam dan later dikwijls een zogeheten volksheilige voor in de plaats of werd die aan het oorspronkelijke patrocinium toegevoegd. Zo was de door Willibrord gestichte kerk van Elst oorspronkelijk gewijd aan Sint-Salvator, Maria, Petrus en Paulus en de andere apostelen, Sint-Jan de doper en alle heiligen,[5] maar later vooral ook aan de Angelsaksische missionaris Werenfried.[6] Het aan de stichting van Willibrord of Bonifatius toegeschreven kerkje van Velsen was eerst gewijd aan de apostel Paulus, later aan de Angelsaksisch/Friese missionaris Engelmond.[7] En juist ook de Utrechtse Sint-Salvator had later de heilige Bonifatius als belangrijke nevenpatroon. We komen daar op terug.

Dit aantoonbaar niet steekhoudende argument dat een patrociniumwisseling niet gebruikelijk zou zijn, is het enige dat Van der Tuuk in deze kwestie aanvoert. Al in onze, wel door hem geraadpleegde publicatie De eerste kerken uit 1995 hebben we vastgesteld dat het Sint-Thomaspatrocinium niet alleen eenduidig in de geschiedschrijving genoemd wordt, maar dat deze kerkpatroon ook door de eeuwen heen bij het domkapittel in hoge ere is gehouden. Zo was het hoogaltaar in de dom niet alleen gewijd aan Sint-Maarten, maar ook aan de apostel Thomas en Sint-Jan de Doper en werd het feest van de heilige Thomas in de dom met luister gevierd.[8] En dit terwijl het domkapittel, dat grote moeite heeft gedaan om zich als de moederkerk van Utrecht op te werpen, geen enkel belang had bij het speciaal vereren van de patroonheilige van de eerste, door de Friezen verwoeste kerk. Met de verwoesting van het gebouw heeft immers de noodzakelijke herbouw ervan en verder juist ook de verandering van kerkpatroon die pretenties niet onderbouwd en versterkt, maar er juist afbreuk aan gedaan.[9]

Het is interessant vast te stellen dat Luit van der Tuuk inmiddels wel met ons aanneemt dat de eerste kerk gesticht is omstreeks 630[10] en niet aan het eind van de zesde eeuw, en dat de eerste Utrechtse kerk ter plaatse van de latere domkerken heeft gestaan.[11] In 1995 hield hij het – voornamelijk op basis van de bekende zeventiende-eeuwse plattegrond die de situatie in 690 zou weergeven en van Karolingische begravingen ter plaatse – nog voor mogelijk dat de eerste kerk zich op het Oudkerkhof bevond. Dit zou dan binnen de op de plattegrond weergegeven ‘voorburcht’ moeten zijn. Hij zette toen overigens nog geen vraagteken bij het oorspronkelijke Sint-Thomaspatrocinium.[12]

Willibrords kerken

Over Van der Tuuks opvattingen met betrekking tot Willibrords kerken hebben we ons hogelijk verbaasd. Om te beginnen zegt hij dat deze kerken vóór 723 zijn gebouwd. Wat had hij dan anders verwacht als hij er – met ons – van uitgaat dat Willibrord in omstreeks 695 de Utrechtse burcht aangewezen had gekregen als basis voor zijn missiewerk? Dat de kerkelijke diensten er aanvankelijk decennialang in de open lucht werden gehouden en dat Willibrord en zijn geestelijken er in tenten sliepen?

Op grond van alle beschikbare bronnen, en niet een selectie daaruit, zijn we op grond van uitvoerige argumentatie tot de conclusie gekomen dat Willibrord is begonnen met de inrichting van een Sint-Salvatorkerk en -klooster, en wel binnen de principia, het Romeinse hoofdgebouw, en dat hij later, waarschijnlijk omstreeks 720, de verwoeste Sint-Thomaskerk vanaf het fundament heeft herbouwd en aan Sint-Maarten gewijd. We gaan dat op deze pagina niet verder specificeren; alle bronnen en op die bronnen gebaseerde argumenten zijn te vinden op de pagina’s van deze internetpresentatie.[13]

De oudste privileges van de Utrechtse kerk

Twee oorkonden, op verzoek van Bonifatius verleend door de Frankische koning Pippijn III (ook wel de Korte genoemd), bevestigden respectievelijk het zeer belangrijke recht van immuniteit en een recht op het tiende deel van koninklijke inkomsten voor de Utrechtse kerk. In de oorkonde van het tiendprivilege, daterend van 23 mei 753, wordt verwezen naar eerdere verleningen door de hofmeiers Pippijn II (ook de Middelste genoemd; 687-714), Karel Martel (717-741) en Karloman (741-747). In het immuniteitsprivilege, dat mogelijk van dezelfde datum dateert, wordt verwezen naar eerdere verlening door een tweetal Frankische koningen, Chlotarius en Theodebertus. In het verleden zijn die koningen geïdentificeerd met de koningen Lotharius II (613 tot 623) en Theudebert II (596-612).

De ongerijmdheid van deze identificatie is al meer dan een halve eeuw geleden opgevallen. In een artikel uit 1962 suggereerde de mediëvist en naamkundige D.P. Blok dat het in werkelijkheid om Lotharius IV (718) en Theuderik IV (721-737) zal zijn gegaan.[14] De Duitse rechtshistoricus K.A. Eckhardt kwam in 1975, waarschijnlijk onafhankelijk van Blok, tot dezelfde conclusie.[15] Hij toonde aan dat de op elkaar lijkende koningsnamen vaak verhaspeld werden, wat de afwijking in de tekst van de oorkonde – alleen bekend uit veel latere afschriften – zou verklaren.[16]

Ondanks dat alles beweerde de Utrechtse mediëviste J.M. van Winter – die overigens bedankt wordt voor het kritisch doorlezen van Van der Tuuks bijdragen – in een artikel uit 1975, zonder de artikelen van Blok en Eckhardt te vermelden, dat Bonifatius oorkonden vervalste om de Utrechtse kerk aan deze privileges te helpen.[17]

Steunend op Blok en Eckhardt hebben wij de toeschrijvingen aan Lotharius IV en Theuderik IV nader onderbouwd. We hebben de verlening gekoppeld aan de herbouw van de verwoeste Sint-Thomaskerk door Willibrord. Deze zal hebben plaatsgehad, nadat de Franken de burcht Trecht omstreeks 719 op de Friezen hadden heroverd. Deze laatsten hadden, onder aanvoering van hun koning Radbod, na de dood van hofmeier Pippijn II in 714 gebruik gemaakt van de verwarring in het Frankische rijk om de burcht Trecht weer in te nemen. Terwijl het tiendprivilege al eerder, onder deze hofmeier Pippijn II (687-714) verleend was, zal na de herovering van de burcht door de Franken omstreeks 719 de Utrechtse kerk het belangrijke immuniteitsprivilege hebben verworven. Op 1 januari 723 werd daar de schenking van de burcht Trecht en het omliggende gebied met de burcht Vechten aan toegevoegd.[18]

Ondanks onze uitvoerige onderbouwing van dit alles grijpt Van der Tuuk zonder onderbouwing en/of andere nieuwe argumenten weer terug op de door J.M. van Winter verzonnen vervalsing door Bonifatius, waarvoor niet de minste aanleiding bestaat.[19] Opnieuw zeer teleurstellend.
[20] C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Welke kerk van Willibrord: Sint-Maarten of Sint-Salvator?’, Maandblad Oud-Utrecht 65 (1992) 142-146, ald. 144.


[21] Zie C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘Bonifatius en de Utrechtse kerk’, in: E.S.C. Erkelens-Buttinger e.a. (red.), De kerk en de Nederlanden. Archieven, instellingen, samenleving (Hilversum 1997) 43-65.


[22] Ald. 158, nt. 8.


[23] H. Bruch (uitg.), Chronographia Johannis de Beke (’s-Gravenhage 1973) en een nog veertiende-eeuwse vertaling met toevoegingen van waarschijnlijk een Utrechtse geestelijke: H. Bruch (uitg), Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant (’s-Gravenhage 1982).


[24] Zie de webpagina’s De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel en Bonifatius als bouwer van de Utrechtse Sint-Salvatorkerk.


[25] Ald. 153-154.


[26] Schieffer sprak overigens ten onrechte van een Martinskloster.


[27] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, nr. 39: devotissimo adiutori Gregorio, duplici presbiteratus abbatisque honore cum precedente propriorum meritorum suffragio decorato.


[28] Vita Gregorii, par.10 (p. 75) en bekeerde het volk samen met de choorbisschop en helper Alubert: populum illum irradiavit simul cum chorepiscopo Aluberhto, qui de Britannia et gente Anglorum veniebat. Mogelijk is hij dezelfde die later bisschop van Selsey werd.
De Sint-Salvator van Bonifatius

Al in onze eerste publicatie over de Utrechtse kerkenproblematiek uit 1992, toen het hernieuwde onderzoek naar de eerste Utrechtse kerken eigenlijk nog moest beginnen, hebben we melding gemaakt van de bouw van een tweede Sint-Salvatorkerk naast de eerste, door Willibrord gestichte. We hebben die nieuwbouw toen nog in de tiende eeuw geplaatst.[20] Tot onze eigen verbazing vonden we bij nadere bestudering van de bronnen, dat daarin de bouw van een nieuwe Sint-Salvator naast de eerste eenduidig werd toegeschreven aan Bonifatius. Zowel in een artikel in het Bulletin KNOB van 1994 als in onze publicatie De eerste kerken van 1995 hebben we dit nader uitgewerkt, en dit later nog eens dunnetjes overgedaan in een artikel uit 1997. We deden dit nadat zowel de Utrechtse mediëviste J.M. van Winter als de Utrechtse stadsarcheoloog T.J. Hoekstra – zoals uit de reactie van de laatste blijkt in gezamenlijk overleg – ons op een nogal laatdunkende en diskwalificerende wijze in een hoek hadden proberen te zetten.[21]

Het is dus onjuist wat Luit van der Tuuk beweert, dat wij de bouw van die nieuwe kerk ‘voornamelijk op grond van een kroniek uit de veertiende eeuw’ baseren.[22] Trouwens, die kroniek, geschreven door Jan Beke, was dé middeleeuwse kroniek over het sticht en het bisdom Utrecht en het graafschap Holland.[23] Dat, wanneer en waarom Bonifatius een nieuwe Sint-Salvator naast de eerste heeft gebouwd, hebben we aan de hand van verschillende andere bronnen uitvoerig beargumenteerd.

Nog los van de middeleeuwse geschiedschrijving, die eenduidig van een nieuwe door Bonifatius gebouwde Sint-Salvatorkerk spreekt, was ons gebleken dat de Sint-Salvator/Oudmunsterkerk niet mede aan Willibrord was gewijd, maar aan Bonifatius. De stichter werd bijvoorbeeld ook op het zegel van het Sint-Salvatorkapittel afgebeeld en in de kerk stonden op een prominente plaats, aan weerszijden van het altaar, grote beelden van Sint-Salvator en van Bonifatius. Verder hebben we gewezen op de pogingen van Bonifatius omstreeks 745 om te komen tot een aartsbisdom Keulen, waarvan hij zelf aan het hoofd zou staan, met Utrecht als suffragaanbisdom. Aan de vele argumenten hebben we er vrij recentelijk nog een toegevoegd.[24] Dat dit alles door Van der Tuuk domweg genegeerd wordt, is dan ook wederom zeer teleurstellend en doet verdere afbreuk aan zijn publicatie, die juist Bonifatius tot onderwerp heeft.

Abt Gregorius


Volgens Van der Tuuk werd Gregorius als ‘hoofd van het Sint-Salvatorklooster’ aangewezen ‘nadat de beide kemphanen Bonifatius en Hildegarius van het toneel waren verdwenen – de Keulse bisschop was tijdens een veldtocht van Pippijn de Korte in 753 tegen de Saksen gesneuveld.’[25] Hij plaatst hierbij een noot dat volgens ons Gregorius al vóór de dood van Bonifatius zou zijn aangesteld en baseert zich daarbij op ons artikel ‘Bonifatius en de Utrechtse kerk’ (ald. 48). Wijzelf verwezen in genoemd artikel naar de historicus Th. Schieffer, die op p. 209 en 270 van zijn boek Winfrid-Bonifatius und die christliche Grundlegung Europas (Darmstadt 1980), zei dat Bonifatius op zijn laatst in 747 Gregorius tot abt van het Utrechtse klooster had aangesteld.[26] Hoe dit ook zij, al in een brief die gedateerd wordt tussen 747 en 752 feliciteert de priester Lull, die in 752 door Bonifatius tot choorbisschop van Mainz werd benoemd, Gregorius met zijn abtsbenoeming.[27] Volgens de levensbeschrijving van Gregorius werd deze na de marteldood van Bonifatius in 754 bij Dokkum hoofd van de Utrechtse kerk en ‘bestraalde’ hij het volk samen met een choorbisschop, de uit Engeland afkomstige Angelsaks Alubert.[28] Hij zal de opvolger zijn geweest van de met Bonifatius vermoorde choorbisschop Eoban. Kortom, anders dan Van der Tuuk zonder bron en onbeargumenteerd beweert, is Gregorius al vóór de dood van Bonifatius abt van het Sint-Salvatorklooster in Utrecht geworden en na diens dood hoofd van de Utrechtse kerk.
[29] Diens artikel ‘De datering van de Heilig-Kruiskapel te Utrecht’, Bulletin KNOB 99 (2000) 62-67, wordt door Van der Tuuk vermeld.


[30] Ald. 130-133.


[31] Dat gebeurde door abt Theofried van Echternach, die een levensbeschrijving van Willibrord schreef (zie de webpagina De tiende-eeuwse Heilig-Kruiskapel).


[32] Overigens maakt Van der Tuuk er melding van dat ook de Utrechtse mediëviste J.M. van Winter dit idee nog steeds aanhangt (ald. 158-159, nt. 22). Interessant is dat zij spreekt van ‘een kerkje ter grootte van een huiskamer’. In 2014 heeft de archeologe A. Willemsen het nog ‘een serieuze kerk’ genoemd in haar boek Gouden Middeleeuwen (Zutphen 2014) 141 (zie hierover de webpagina Op en rond het Domplein). Al naargelang het gewenste perspectief kunnen onderzoekers hetzelfde gebouw(tje) dus zowel klein als groot noemen. Het is treurig stemmend.
Aanvulling van 11 september 2017:
Inmiddels kon worden vastgesteld dat Van der Tuuk voor een aantal van zijn opvattingen sterk onder invloed staat van en zich vervolgens ook aansluit bij de zeer aanvechtbare opvattingen van de Utrechtse mediëviste J.M. van Winter (zie de webpagina Een huiskamertje als kathedraal).


Tentoonstelling 4

De Heilig-Kruiskapel

Luit van der Tuuk besteedt ook aandacht aan de Heilig-Kruiskapel en tot ons genoegen komt hij net als wij – en niet te vergeten al eerder de archeoloog Cees (C.A.M.) van Rooijen –[29] tot de conclusie dat de kapel niet uit de tijd van Willibrord, maar uit de tiende eeuw dateert. Ook deelt hij onze opvatting dat de kapel niets uitstaande had met het domkapittel, maar wel met dat van Sint-Salvator.[30]

Maar over de betekenis en functie van de Heilig-Kruiskapel en haar plaats in de latere constellatie van de kerken op het Domplein vindt men bij Van der Tuuk geen woord. En dus ook geen verklaring van het feit dat de kapel al in het begin van de twaalfde eeuw beschouwd werd als de eerste door Willibrord gebouwde kerk, die gewijd zou zijn geweest aan het Heilig Kruis en aan Maria.[31] Ook de verdere middeleeuwse geschiedschrijving ging hier eenduidig van uit. Die zwijgzaamheid van Van der Tuuk is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat hij er – ten onrechte – van uitgaat dat de kerk van Sint-Salvator/Oudmunster al gebouwd is door Willibrord en niet later door Bonifatius als tweede Sint-Salvatorkerk.

Wij hebben op grond van verschillende bronnen uitvoerig beargumenteerd dat de kapel half over de voormalige Romeinse principia heengebouwd was en was opgetrokken uit het materiaal van dat hoofdgebouw. De aanwezigheid van de eerste kerk en het klooster van Sint-Salvator in deze principia zal er de oorzaak van zijn geweest dat men in de geschiedschrijving enige tijd later, in ieder geval al door abt Theofried van Echternach in het begin van de twaalfde eeuw, de kapel als die eerste kerk is gaan beschouwen. Hierbij werd uitdrukkelijk gesproken van de stichting van een kerk gewijd aan het Heilig Kruis en aan Maria, waarin de eerste doopvont en de eerste bisschopszetel werd geplaatst. Die stonden inderdaad in de Sint-Salvator en niet in de Sint-Maartenskerk. Over dit alles vindt men bij Van der Tuuk geen woord.

Besluit

Hier willen we het, althans voorlopig, bij laten. Maken we een voorlopige balans van deze nieuwe publicatie op, dan doet het ons in ieder geval deugd dat Luit van der Tuuk het idee van de Utrechtse archeologen dat de Heilig-Kruiskapel ‘het Sint-Maartenskerkje van Willibrord’ was niet meer aanhangt. Dat is winst, want op de verklaring bij een maquette van de opgravingen van 1929 en 1933, opgesteld in de tentoonstellig over de domtoren in het Centraal Museum in de zomer van 2016, is gebleken dat deze evident verkeerde opvatting nog steeds niet door de Utrechtse archeologen en bouwhistorici verlaten is (zie de afbeelding hiernaast).[32] In zijn weergave van de ontwikkeling van de vroege kerkenbouw in Utrecht schiet Van der Tuuks publicatie voor het overige echter ernstig te kort, zoals we in het voorgaande, aan de hand van enkele voorbeelden, getoetst aan de resultaten van ons eigen onderzoek gedurende een kwarteeuw, nader hebben verduidelijkt en gespecificeerd.

Het is teleurstellend te moeten constateren dat zo gemakkelijk aan diepgravend bronnenonderzoek en uitgebreide argumentatie grotendeels onbeargumenteerd wordt voorbijgegaan. Ook van amateurhistorici die zich – van welk beperkt lokaalhistorisch perspectief ook – met een zekere wetenschappelijke pretentie met historisch onderzoek bezighouden, mag verwacht worden dat zij hun onderzoek zorgvuldig doen, zich verantwoorden voor hun opvattingen en correct verwijzen naar de bronnen en de opvattingen van andere historici. Of voor de kerstening en de eerste kerkstichtingen in Utrecht
ook die van Bonifatiusde nieuwe publicatie Bonifatius in Dorestad van Luit van der Tuuk als een aanwinst kan worden beschouwd, mag sterk worden betwijfeld.

Aanvulling:

Op zaterdag 23 juli 2016 besteedde het dagblad Trouw aandacht aan de herdenking en de uitgave onder de op zijn minst suggestieve kop ‘Kaping door priesters en de VVV’. In dit artikel stelde de mediëvist Marco Mostert, die ‘een van de grootste kenners van het leven van Bonifatius’ wordt genoemd, terecht dat de relatie tussen Bonifatius en Dorestad flinterdun is. Dit werd vervolgens weinig overtuigend tegengesproken door de ‘drijvende kracht’ achter het feestjaar, Kees Slijkerman, en door Luit van der Tuuk als conservator van het museum in Wijk bij Duurstede. Volgens het artikel in Trouw, geschreven door Gerrit-Jan KleinJan, is de publicatie Bonifatius in Dorestad ‘voor het grootste deel geschreven door dominees en priesters’. Dat is aantoonbaar onjuist: de omvangrijkste bijdragen zijn de historische artikelen geschreven door Van der Tuuk. Dat daar heel wat op aan te merken valt, zoals hierboven al is vastgesteld, is een andere zaak.


© C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn 2016. - Gepubliceerd 3 augustus 2016; laatst bewerkt 11 september 2017.